‘I’ll like to take care for you.’ Haar ogen glanzen waarin het beeld te lezen valt hoe zij zich dat voorstelt. Prachtige zwarte ogen, vochtig, grote pupillen die mij recht aankijken, mijn ziel proberend te doorboren met de hoop dat mijn ziel een sprongetje van geluk zal maken. Verdomme, denk ik, waarom heb je zo’n fijnbesneden gezichtje, heb je van die prachtige ogen, zo’n klein neusje, zo’n klein gezichtje. Zijn je oortjes als gemaakt door een kunstenaar die met een fijn mesje de vormen heeft uitgesneden. Waarom heb je zo’n rank figuurtje, van die prachtige billen, weeg je slechts vijfenveertig kilo. Waarom is bij jou alles in evenwicht wat oogstrelend werkt, nee verslavend om naar te kijken, aan te raken, dicht tegen je aan te drukken. Waarom roep jij die gevoelens op terwijl jij aanbiedt om voor mij te zorgen terwijl ik het omgekeerde vind.
‘I’ll
like to take care for you.’ Nee hé, niet nog eens, denk ik. Ja misschien als ik
terminaal ben, geen stap meer kan verzetten, in een rolstoel zit en naar buiten
geduwd moet worden voor wat frisse lucht. Dan misschien. Ik wil niet verzorgd
worden. Ik heb er van geleerd, voor je het weet is je leven ingericht, heb je
niets meer te vertellen. Verzorgd zal je worden, de hoofdmoot van de Thaise
vrouw heb ik het idee. Alle Thaise vrouwen die ik heb leren kennen, van bargirl
tot caddie, zij bieden allemaal hetzelfde. Ik wil niet verzorgd worden. Ik wil
een evenknie. Iemand die gelijk is aan mij. Niks minder, niks meer. Gewoon een
mens die net als ikzelf behoeftes heeft waaraan uiting gegeven kan worden en
vooral niet iets vindt en daar zijn oordeel aan ophangt. Ik vind niks!
Wat ik
wel vind dat mijn speeltje mooi is, aangenaam om naar te kijken. Maar ik vind
veel Thaise vrouwen mooi, ook aangenaam om naar te kijken. Maar daar kan het
niet bij blijven. Dat alleen maar mooi vinden. Daar raak je aan gewend. Er moet
meer zijn. Zoals ik probeer de Thaise cultuur en denkwijze te begrijpen, moet
dit ook omgekeerd kunnen. Als ik mijn speeltje meeneem in de auto, komt er uit
de luidsprekers via mijn I-pod muziek van Bach. Zachtjes, maar ik leef in de
hoop dat het onderbewuste van haar de tonen oppikken. Dat zij zich na een lange
tijd bewust wordt hoe prachtig het is wat zij hoort. Hoe anders. Dat de klanken
net zo mooi zijn als zij zelf. In evenwicht. Harmonieus.
‘Mai
Sui,’ zegt zij en doelt op zichzelf. Valse bescheidenheid. Kijk dan in de
spiegel. Kijk dan naar je eigen ranke lichaam, naakt op mij liggend, zich als
een aapje aan mij vastklemmend. Zoekend naar warmte, liefde, geborgenheid. Kijk
in de spiegel waarmee de hotelkamer is behangen zodat men kan zien welk
spannend standje men na-aapt uit de zojuist bekeken pornofilm. Kijk dan. Zie je
dan niet hoe alles klopt. Aan jouw lichaam. Khun Sui.
Zij
klemt zich aan mij vast. Maakt haar inhaalslag van verloren jaren. Ontdekt wat
het is warmte en geborgenheid te voelen. Er moet meer zijn, denk ik. Er moet
meer uit te halen zijn. Het is niet alleen maar een jong lichaam waarbij
alles klopt. Er zit een hoofd op en in dit hoofd zitten hersens. Daarmee heb je
geleerd te denken. Je moet alleen nog leren onafhankelijk te denken. Niet
volgens vaste patronen zoals dit je is bijgebracht. Onafhankelijk van het
boeddhistisch gedachtegoed, Islam, christendom, zo moet je gaan denken. Niks
vinden, maar aanschouwen. Aanschouw en verbaas je over niets. Alles is er,
precies zoals het er wezen moet. Niets is overbodig, niets is er tekort. En
alles is één en wij zijn
een deel van het alles vormend het één wat
zich niet kan spiegelen en daarmee dus niets blijkt te zijn.
Mijn
als met morfine geïnjecteerde hersens nemen een vlucht door onbekende terreinen
van het brein. Zoiets heb ik wel vaker na een ejaculatie bij een vrouw. Ik weet
ook niet welke stoffen er precies vrijkomen na zoiets, maar het geeft in ieder geval
een gevoel van High zijn zonder daarbij misselijk te worden wat ik wel word bij
het roken van een joint. Haar vederlichte kleine lichaampje waarvan het hoofdje
op mijn borst ligt, ademt in en uit in een rustig tempo. Zij slaapt. Maakt
licht schokkende bewegingen die mij vertellen dat zij droomt. Zij zweeft ver
boven de aarde, gelijk een engel. Van hieruit verzorgt zij mij. Vertelt mij de
geheimen die ik zo graag wil kennen. Is het waar? Is alles één en alles niets? Nu wel. Ik kan Bach’s cantates horen.
Ze sturen op de manier zoals ik het wil. Ik kan Mozart’s vijfde pianoconcert
een andere wending geven. Ik begrijp de kwantumtheorie. Hoe eenvoudig allemaal.
Hoe simpel. En Elvis leeft nog, schiet het door mij heen waarmee mijn gevoel God
zelf te zijn verdwijnt en de realiteit, of schijn realiteit weer terugkeert. Ik
maak haar wakker door met mijn vinger in haar oor te kriebelen.
‘Again,’
vraagt zij als zij haar ogen opent.
Jezus
schat, ik ben bijna zeventig. Zoek een lekkere jonge vent.
Nog
vijf dagen, denk ik terwijl ik mij afdroog na door haar gewassen te zijn onder
de douche. Nog vijf dagen. Dan reis ik na acht maanden terug naar Nederland.
Dan sluit ik voorlopig acht intensieve maanden van ellende met leugens,
angsten, jaloezie en onzekerheden af. Acht maanden waarin ik mijn vrouw
kwijtraakte, een speeltje zich aan mij gehecht heeft en half Chiang Mai mij
ziet als de Butterfly optima forma. Hé hé, de komende periode in Nederland eens even bij zien te
komen. Het is geloof ik de allereerste keer dat ik niet opzie tegen een
thuisvaart met daaraan een langer verblijf gekoppeld. Dat het in Nederland ook
niet makkelijk zal worden, raakt mij nog niet. De hoofdmoot is en blijven
natuurlijk die onderzoeken die ik moet ondergaan. Vooral het resultaat hiervan.
Terugkeer naar Thailand is hier zeer van afhankelijk.
‘You
look so serious. What happen,’ vraagt mijn speeltje die zich nu ook afdroogt
met een van de twee witte handdoeken die het één uur hotel
gratis ter beschikking stelt.
‘It’s
nothing,’ antwoord ik en probeer tegelijk weer de kwantumtheorie te begrijpen
zonder te weten wat kwantumtheorie nou eigenlijk is. De geheimzinnige stoffen
in mijn hersens zijn uitgewerkt. Ik bekijk haar en zie dus een ondermaats
vrouwtje dat voor mij wil zorgen. Mij bewaken, zal ze bedoelen. Zodat mijn gulheid
wat geld betreft niet de verkeerde kant uitstroomt. Alles is één?
M’n rug op. Alsjeblieft niet. Zie mij al één zijn met Jantje Smit, Albert van der Linden, Ivo nihil of noem nog eens wat. Nee, ik ben ik, weet geen kloot van de
kwantumtheorie, kan geen instrument bespelen en zeker geen composities een
andere en betere wending geven.