There are places I’ll remember All my life, though some have changedSome forever, not for betterSome have gone and some remainAll these places have their moments
Als er een zin is die nooit uit mijn hoofd zal
verdwijnen, dan is het deze wel. Geteld heb ik ze niet, maar het moeten meer
dan honderd trouwreportages geweest zijn die ik heb gemaakt. Foto’s bij de
bruid thuis. De binnenkomst van de bruidegom. Het overhandigen van het
bruidsboeket. Het instappen in een koets, limousine of een oldtimer. Foto’s,
foto’s, foto’s. De familie voor de deur. Echtparen die het bruidspaar jaren en
jaren voor zijn gegaan. Jonge verloofde stelletjes die ooit ook de sprong gaan
wagen. Wat zij doen willen wij ook. Jonge kinderen in apenpakjes zich nu al
doodvervelend op deze eindeloze dag. En allemaal een corsage, de heren naar
boven, de dames naar beneden. Ja, logisch en zenuwachtig wordt er gelachen, humor
hoort er nou eenmaal bij op zo’n dag.
Niet volgens de ambtenaar, de in jacket
gestoken autoriteit die wel eens even voor zal lezen waar het huwelijk allemaal
toe verplicht. Nou, weinig humor, in een huwelijk. Een buitengewoon ernstige
aangelegenheid, dat is het en je zou je als bruidegom toch onmiddellijk om
moeten draaien en er de sokken in moeten zetten met de gedachte: als ik dit
geweten had. Maar nee hoor. De Janlul hoort het allemaal aan, knikt zo af en
toe Ja, alsof ie het begrijpt en voor ie het weet zit hij er zijn verdere leven
aan vast.
Zo zag ik dat en zo besloot ik dat ik mij
nooit en te nimmer zou laten verleiden tot iets dergelijks. Het Stadhuis was
een plek met zijn momenten die je de kriebels bezorgden.
Hierna volgde de receptie, het diner en . . .
het feest. Soms waren het leuke partijen, smaakvol. Beschaafde gasten op de
receptie, beschaafde genodigden tijdens het diner, zich gedragend tijdens het
feest. Maar er waren soms partijen die je een plaatsvervangend schaamrood naar
de kaken liet stijgen. Tenenkrommende gedichten die werden voorgedragen op de
receptie. Het ABC. A staat voor . . .en daar ging ie. Of tijdens het diner als
oma de ober ging helpen met afruimen. Er te veel wijn werd gezopen, er lallende
verhalen over de tafel gingen over bruid of bruidegom. Je als fotograaf
absoluut mee moest als familie en/of vrienden rijst gingen gooien in het
huwelijksbed. Een keer heb ik meegemaakt dat het toppunt van humor werd bereikt
door in het bed een varkenskop te leggen. Voor vijfentwintig gulden opgehaald
bij de slager. En gelachen dat we hebben.
Lange werkdagen waren trouwreportages, en
slopend. Beter was het om als assistent met meneer op pad te gaan want hij deed
het mooie werk. Boten fotograferen. En dan geen zeil –of motorjachten, maar
zeekastelen. Vrachtschepen die voor het eerst Rotterdam aandeden en waarvan de
reder een mooie plaat wilde om zijn kantoor in New York, Londen of Singapore
mee te versieren. Of schades fotograferen in de machinekamer bijvoorbeeld voor
de verzekering.
Of vanaf een boot van Rijkswaterstaat
een Tallship voor de kust van Hoek van Holland. Mooi werk, de hele dag op pad, weg van de donkere kamer,
in de buitenlucht, op zee of vlak daarbij.
Of vanaf een boot van Rijkswaterstaat
een Tallship voor de kust van Hoek van Holland. Mooi werk, de hele dag op pad, weg van de donkere kamer,
in de buitenlucht, op zee of vlak daarbij.
‘Kijk, daar ligt ie,’ zei meneer en wees naar zijn Abel Tasman in de vluchthaven van Hoek van Holland. ‘Zin?’ Tuurlijk! Wanneer? Dit weekend? Mijn eerste zeezeilervaring zonder dat ik zeeziek werd en het later ook nooit zo worden. Hier was ik voor geboren. Dit voelde ik in elke vezel van mijn lijf. Een fotograferende zeezeiler. Net als meneer.
Na twee jaar bij van Oudgaarden te hebben
gewerkt, besloot meneer de zaak te verkopen. Hij vertrok naar Italië en werd
daar importeur van in Taiwan gebouwde motorboten. Lang heb ik er niet meer
gewerkt, bij de nieuwe eigenaar. Hij was geen meneer in een corduroy broek met
daarboven een houthakkers hemd. Had geen bruine kop met een wilskrachtige kin.
Hij wist niks van boten, vond het water eng. Alles vond ie eng. Behalve zijn
vriend die de godganselijke dag om hem heen hing. Die was pas eng. Allebei
waren zij eng. Nichten.
Ik solliciteerde zonder tussenkomst van mijn
moeder, gewoon op eigen initiatief bij een ander bedrijf. Tom Kroeze. Een zeer
bekende fotograaf in Rotterdam die zich ook bezig hield met zo’n beetje alles
wat er in de Rotterdamse havens gebeurde, en dit was niet niks. De Europoort
was net in aanbouw. Ik kon er zo komen werken, maar hoe zat dat met militaire
dienst. Inmiddels had ik de leeftijd bereikt om mijn dienstplicht te vervullen,
maar moest alleen nog even gekeurd worden. Voor mij was het dus van het
allergrootste belang te worden afgekeurd. Maar, hoe doe je dat. Blijkbaar op de
meest eenvoudige manier. Gedurende de eerste uren van de keuring in Delft, was
ik constant zoek. Moesten wij met een groep jongens de gang uitlopen en daarna
naar links, ik ging naar rechts. Continu was ik de weg kwijt, vroeg in paniek
aan een officier, of wat het ook wezen mocht, waar ik heen moest om mij weer
aan te kunnen sluiten en uiteindelijk werd ik bij de generaal geroepen, of zoiets,
die mij met een ernstig gezicht vertelde dat ik het wel vreselijk jammer zou
vinden, maar mij konden zij echt niet gebruiken Afgekeurd! Ik geloof dat het
mij nog lukte om er sip bij te kijken.
Het werd dus Tom Kroeze. En wat het ook werd,
ik moest mijn rijbewijs gaan halen want ik zou op pad gestuurd kunnen worden en
daarvoor de lelijke eend kunnen gebruiken. Autorijden kon ik al want dit had
mijn vader mij al geleerd, het was alleen nog even een kwestie van een paar
lessen en hup . . . examen. Gezakt. Mijn rijstijl was te zeker, te gemakkelijk,
niks om al de weg op te sturen. ‘Je moet het toneelstuk in drie bedrijven ook
netjes opvoeren,’ gaf mijn rijleraar als tip mee bij mijn herexamen. En zo
sukkelde ik over de Gordelweg, de Schiekade, gaf absoluut geen extra gas als
het stoplicht nog op groen stond, maar hield bij voorbaat al in en slaagde cum
laude.
Tom Kroeze zelf was wat je noemt een
flamboyante vent. Heel anders dan van Oudgaarden, op een totaal andere manier
imponerend. Eigenlijk was ie gewoon ordinair, maar waagde het niet te laten
merken. Zijn vrouw werkte ook in de zaak en dit was voor mij de eerste keer dat
ik een vrouw trof als leidinggevende. Een ramp dus. Zij zat samen met een
assistente op een kantoortje boven en had daar, om communicatie te houden met
beneden, een audiosysteem waarmee zij contact hield met het voetvolk. Mevrouw
leed wat aan vergeetachtigheid want telkens vergat zij het ding, zoals wij het
noemde, uit te zetten en kon dan letterlijk verstaan waar wij het over hadden.
Wij waren de eerste fotograaf Cor, de tweede
Luck en meneer Gladines voor de donkere kamer en nog een meisje die de foto’s
sneed als deze uit de glansmachine kwamen. Ik was aangenomen om in de eerste
plaats te assisteren in de doka en in de tweede plaats om de eerste fotograaf
Cor te helpen als hij assistentie nodig had. De tweede fotograaf deed alles
zelf wel zo’n beetje en had geen assistentie nodig, hij werd liever niet op
zijn vingers gekeken.
Meneer Gladines hield ook van The Beatles. En
Cor, de eerste fotograaf ook, speelde zelf ook gitaar en vond The Beatles dan
wel aardig, zijn voorkeur ging meer uit naar Djanco Reinhardt die mij toevallig
ook niet onbekend was. Luck hield alleen van Franse Chansons. Eigenlijk waren
het hard werkende vakmensen binnen de fotografie die het nooit over het vak
hadden en geen foto’s in bladen beoordeelde op compositie of iets dergelijks,
maar veel meer betrokken waren bij maatschappelijke problemen en hun beloning
binnen het bedrijf Tom Kroeze.
Tom Kroeze zelf was dus de flamboyante man,
altijd goed in het pak, reed in een Citroën DS en ging graag
om met de havenbaronnen. Lunchte vaak met hen bij de Cock Do’r, dronk te veel
whisky, was gek op de vrouwtjes en haalde ondertussen veel werk op als de
populaire clown voor wie geen zee te hoog ging. Een feest was pas feest als Tom
Kroeze er was als fotograaf, wat er vaak op neer kwam dat een of andere ober de
foto’s liep te maken terwijl meneer Kroeze zich bezig hield als gangmaker. Maar,
wij kwamen om in het werk. De hele bouw van de Europoort viel onder zijn
fotografie en wij werden er regelmatig op uitgestuurd om de voortgang van een
raffinaderij te fotograferen of de aanleg van een containerhaven. Ook deden wij
tewaterlatingen bij scheepswerf Boele in Bolnes die gespecialiseerd was in het
verlengen van binnenvaartschepen of coasters. Op een pallet staand de kraan in
gehesen worden om zo een mooi overzicht te maken van het gebeuren, en een
andere fotograaf bij het kapot gooien van een fles champagne tegen de huid van
zo’n schip.
Rijdend over de Schiedamsedijk kijk ik naar
rechts. Daar zat de zaak. Jaren en jaren geleden. Weg. Een of ander
ingenieursbureau zit er nu. Vijftig jaar geleden. Het is ook niet niks. Een
halve eeuw. Twintig was ik. Smachtend naar avontuur op een ander terrein. Nou,
dat heb ik geweten. Tot op de dag van vandaag.
Wordt vervolgd.



