Het bed is zacht. Het dekbed warm. Verstopt daaronder tot aan mijn neus. Het bed veert. Ik kan makkelijk blijven liggen. Krijg geen pijn in mijn heupen zoals op de harde matrassen die ik zo gewend ben. Het is heerlijk. Slapen in een koele kamer zonder airco. Het raam op een kiertje. Nog eens op mijn zij draaiend, mijzelf uitrekkend, het donzen dekbed volledig over mijn hoofd trekkend.
Door een kiertje
van het gordijn zie ik een streepje daglicht. Ik kijk op mijn horloge. Acht
uur. Zo voel ik het ook, terwijl het voor mij al twee uur in de middag had
kunnen zijn. Uitgevloerd op de bank in de huiskamer waar een blower zijn best
doet koelte voort te brengen terwijl het niets meer is dan lucht verplaatsen.
Warme vochtige lucht van om en nabij de vijfendertig graden.
Zweet op mijn
voorhoofd. Zweet op mijn naakte bovenlijf. Loom, ongemakkelijk, wachtend totdat
de zon onder is, de temperatuur ietsjes zakt, er weer wat simpele bewegingen
gemaakt kunnen worden met het opstaan van de canapé, mijzelf in de auto
hijsend, de airco als een welkome vriend te voelen en mij te spoeden naar een airconditioned
restaurant waar zij Europees voedsel opdienen wat niet naar Europees voedsel
smaakt, maar wel enige gelijkenis vertoond waar ik al snel tevreden mee kan
zijn.
Heerlijk onder
het dekbed op een zachte matras mijzelf afvragend wat ik met de dag zal doen,
of er iets noodzakelijk is, het niet kan wachten tot later, veel later want ik
heb zeeën van tijd, twee maanden om precies te zijn, voordat ik mijn retour
ticket ga consumeren om terug te keren naar een harde matras, een licht dekbed,
een loeiende airco afgesteld op 23 graden wat dan aangenaam dient te wezen om
stroomkosten te besparen.
Om te zien of het streepje licht iets
vertegenwoordigd wat het aanzien waard is, zou ik onder het dekbed vandaan
moeten komen om het gordijn open te schuiven. Een actie die nood mijn armen
boven het dekbed te tillen waar ik tegen opzie, maar mijn nieuwsgierigheid is
groter dan mijn angst dat bevriezingsverschijnselen zullen optreden en voorzichtig
open ik het gordijn, net ver genoeg om te zien dat het streepje licht slechts
licht is, en dan weliswaar volgens een aloude natuurwet veroorzaakt door de
zon, maar het ding zelf is niet te zien. Grijs.
Waarom is het altijd grijs in
Holland. Nou ja, als ik er ben. Zo lijkt het tenminste. Zelden ben ik hier
tijdens zonovergoten dagen, zie ik zwaluwen aan een strakke blauwe lucht, traag
wiekende molens, witte zeilen op plassen en meren. Welnee. Met de nek
ingetrokken chagrijnig kijkende reigers aan de rand van een sloot, op hol
geslagen windmolens die stroom op dienen te wekken, en halve idioten die met
een zwaar gereefd grootzeil het zoute water van de Grevelingen proberen te
trotseren. Hoera, het is voorjaar in Holland.
Onder het dekbed
liggend bedenk ik wat ik vandaag mis. Die uitnodiging die ik heb afgeslagen.
Joh, ga lekker mee. Lekker golfen. Met zes truien over elkaar in de polder
tegen een balletje slaan, met bevroren ledematen uiteindelijk na vijf uur het
clubhuis bereikend waar de openhaard brandt en de glazen whisky wachten om te
denken dat je daarmee weer een normale temperatuur kunt kweken. Lekker napraten
over die op een haar na gemiste birdie. Nou ja, het après golf spreekt mij wel
aan en misschien dat ik mijn neus daar nog wel laat zien, hangend in een
versleten chesterfield, een drupje malt onder de neus met mijn voeten dicht
tegen de openhaard naar buiten kijkend hoe het stelletje edicts de laatste en acttiende
hole bereiken, alvast verlangend kijkend naar het clubhuis waar ik dan de beste
plek bezet.
Onder mijn dekbed
op de zachte matras maak ik mijn voorstelling, bedenk hoe golfen in Thailand
gespeeld wordt met starttijden rond zeven uur in de morgen omdat dan de
temperaturen nog redelijk normaal zijn. Dat er na ruim vier uur en achttien
holes geen openhaard wacht maar koelte suggererende blowers en vooral koud bier
die je snel moet drinken want de dertig graden wordt inmiddels bereikt en zie
daarmee je kwart litertje bier maar eens koel te houden.
Verlang ik al terug,
naar Thailand? Ik draai mij nog eens om en voel het bed zacht veren. Nu
eigenlijk nog niet. Dit ligt aan de wetenschap dat maart en april nou niet
bepaald de beste maanden zijn om in bijvoorbeeld Chiang Mai te vertoeven. De
veertig graden die om deze tijd van het jaar makkelijk bereikt kan worden. De
jaarlijks terugkerende smog die over de stad, nou ja, de hele provincie hangt
door het afbranden van landbouwgronden. Het is op dat moment van het jaar net
zo grijs als in Holland en werkt het net zo deprimerend maar dan zonder zacht
bed verstopt onder een dekbed. De straten in Chiang Mai worden op dat moment
van het jaar ook gevuld met mensen die mondkapjes gebruiken, hun longen
beschermend tegen de vuile lucht van het autoverkeer en de talloze motobikes
die hun aandeel toevoegen waardoor de norm met vele procenten wordt
overschreden. En Holland en omliggende landen maar hun best doen om
luchtvervuiling zoveel mogelijk tegen te gaan.
Holland, ja ik
ben in Holland en heb veel achter mij gelaten waarvan veel mij bijna tot een
zenuwinzinking bracht. Allemaal zelf veroorzaakt natuurlijk. Zo eerlijk ben ik
wel tegenover mijzelf, maar toch. Onder het dekbed liggend glijden mijn
gedachtes terug naar die periode. Mijn God, wat was ik blij dat ik voor een
wijle terug kon naar Nederland. Eens even weg uit dat moeras van gekonkel en
kinderlijke jaloezie. Morgen ga ik achtergebleven warme kleding brengen naar
haar nieuwe partner. Als zij over twee weken ook aankomt in Nederland mag zij
het niet koud hebben. Als zij haar intrek neemt in een totaal ander huis bij
haar nieuwe vriend moet zij zich senang voelen. In het winterjack dat ik voor
haar kocht in Brussel, jaren terug toen zij gewoon nog naar mij toe kwam en ik
haar Europa liet zien. Om te beginnen Brussel. Het hart van Europa. Zou zij aan
mij denken, als zij het jack krijgt aangereikt op Schiphol. Hij het haar netjes
voorhoudt en haar helpt zich daar in te steken. Ik hoop dat hij dat doet. Dat
hij zegt; kijk, Bert heeft dit mij bij gebracht zodat je het niet koud zal
hebben. Dan moet zij wel aan mij denken. Bert heeft aan mij gedacht. Hij wil
niet dat ik het koud heb. Misschien dat dan haar haatgevoelens verdwijnen, of
op z’n minst afzwakken. Hij is mij niet vergeten, moet zij denken. Nee, meer
nog, hij houdt nog steeds van mij. Anders, maar hij houdt nog steeds van mij.
En zo is het ook.
Je begrijpt het niet, zei ik alsmaar bij het afscheid op
Chiang Mai airport waar zij mij alsnog afleverde voor mijn terugvlucht naar
Holland. Je visie is verkeert. Ik heb je niet ingeruild. Ik heb je vreselijk
beledigd, dat wel. Ik heb een speeltuin betreden die verboden is. Alles daarmee
op het spel gezet. Ben van de schommel gevallen en heb mij vreselijk bezeerd,
armen en benen gebroken, weken lang opgenomen geweest in een ziekenhuis en op
mijn donder gekregen over het feit dat ik een verboden speeltuin ben ingestapt.
Zoveel op m’n donder gekregen dat je mij ingeruild hebt tegen een ander, veel
beter luisterend en oppassend kind die misschien wel kan leven bij jouw wil van
“Moeders Wil is Wet”. Maar je mag het niet koud hebben nu je weer terug bent in
Holland en bij die ander gaat wonen om te zien of je tijdens de toegestane drie
maanden verblijf iets op kunt bouwen wat leidt tot misschien wel een huwelijk.
Iets wat ik mijn hele leven uit de weg heb proberen te gaan en in ons geval ook
niet mogelijk was omdat ik al getrouwd was. Met een kasplantje weliswaar, maar
ik was en bleef getrouwd. Moreel en financieel onhaalbaar om mij daarvan te
laten scheiden.
Onder het warme
dekbed met mijn gedachtes die weer automatisch naar het drama van de afgelopen
maanden worden getrokken, voel ik mij als Jezus aan het kruis. Jongen, denk ik,
wat een zelfopoffering heb je toch. Pure een niet zichzelf zoekende liefde
straal je uit met alle ruimte en daarmee kansen creërende mogelijkheden voor je
ex. Een totaal ingericht huis laat je achter. Een huis op een unieke plek in
Mae Jo, op een minuut van de golfbaan. Ik zoek wel iets anders, als ik ooit nog
terug kan. Je nieuwe vriend hoeft alleen maar binnen te stappen. Alleen maar
lief voor je te zijn, en trouw vooral, en medelevend, en over zich heen kunnen
laten walsen, jouw “Moeders Wil is Wet” accepteren, geen tegenspraak geven en
vooral alles betalen wat niet veel meer kan zijn want dat heb ik de afgelopen
jaren al gedaan. Met een rotklap val ik van het kruis en ben weer een gewoon
mens dat zowat uit elkaar barst van jaloezie. Wat ben jij met mijn vrouw van
plan!? Schoft. Er lopen zo’n tienduizend vrouwen rond in en om Chiang Mai die
hunkeren naar een farang, maar nee hoor, jij moest de mijne. Of moet ik toch
maar gewoon dankbaar zijn dat je mijn taak hebt overgenomen, zeker omdat ik
leef op een tijdbom die al tien jaar rustig doortikt en waarvan niemand weet
wanneer dat tikken precies ophoudt, de boel uit elkaar barst en ik ten onder
ga, gorgelend, stikkend, zwetend, trillend, angstig voor hetgeen komen gaat en
niet weet wat dat is. De hersenstam blijft maar de wil tot leven aansturen. Een
hopeloze strijd. Waar zal het gebeuren. Hier, in Holland? Kan ik een keuze
maken? Wil ik het in Thailand? Onder de bezielende leiding van mijn speeltje
die ik allang verteld heb wat ik zoal mankeer zodat zij er niet op moet rekenen
een lang en gelukkig leven samen met mij als speelkameraatje tegemoet te zien.
Ik krijg het er
warm van en gooi het dekbed van mij af. Ik heb ook al een half uur trek in een
sigaret. Maar dan zal ik eerst moeten douchen, mij aankleden en dan het terras
op moeten in de vrieskou omdat ik verblijf in een niet-rokers huis. Koffie, een
sigaret, het ultieme laxeermiddel dus hierna poepen. A Day In The Life
zogezegd.