vrijdag 20 maart 2015

A Day In The Life

Het bed is zacht. Het dekbed warm. Verstopt daaronder tot aan mijn neus. Het bed veert. Ik kan makkelijk blijven liggen. Krijg geen pijn in mijn heupen zoals op de harde matrassen die ik zo gewend ben. Het is heerlijk. Slapen in een koele kamer zonder airco. Het raam op een kiertje. Nog eens op mijn zij draaiend, mijzelf uitrekkend, het donzen dekbed volledig over mijn hoofd trekkend.


Door een kiertje van het gordijn zie ik een streepje daglicht. Ik kijk op mijn horloge. Acht uur. Zo voel ik het ook, terwijl het voor mij al twee uur in de middag had kunnen zijn. Uitgevloerd op de bank in de huiskamer waar een blower zijn best doet koelte voort te brengen terwijl het niets meer is dan lucht verplaatsen. Warme vochtige lucht van om en nabij de vijfendertig graden. 
Zweet op mijn voorhoofd. Zweet op mijn naakte bovenlijf. Loom, ongemakkelijk, wachtend totdat de zon onder is, de temperatuur ietsjes zakt, er weer wat simpele bewegingen gemaakt kunnen worden met het opstaan van de canapé, mijzelf in de auto hijsend, de airco als een welkome vriend te voelen en mij te spoeden naar een airconditioned restaurant waar zij Europees voedsel opdienen wat niet naar Europees voedsel smaakt, maar wel enige gelijkenis vertoond waar ik al snel tevreden mee kan zijn.

Heerlijk onder het dekbed op een zachte matras mijzelf afvragend wat ik met de dag zal doen, of er iets noodzakelijk is, het niet kan wachten tot later, veel later want ik heb zeeën van tijd, twee maanden om precies te zijn, voordat ik mijn retour ticket ga consumeren om terug te keren naar een harde matras, een licht dekbed, een loeiende airco afgesteld op 23 graden wat dan aangenaam dient te wezen om stroomkosten te besparen. 

Om te zien of het streepje licht iets vertegenwoordigd wat het aanzien waard is, zou ik onder het dekbed vandaan moeten komen om het gordijn open te schuiven. Een actie die nood mijn armen boven het dekbed te tillen waar ik tegen opzie, maar mijn nieuwsgierigheid is groter dan mijn angst dat bevriezingsverschijnselen zullen optreden en voorzichtig open ik het gordijn, net ver genoeg om te zien dat het streepje licht slechts licht is, en dan weliswaar volgens een aloude natuurwet veroorzaakt door de zon, maar het ding zelf is niet te zien. Grijs. 

Waarom is het altijd grijs in Holland. Nou ja, als ik er ben. Zo lijkt het tenminste. Zelden ben ik hier tijdens zonovergoten dagen, zie ik zwaluwen aan een strakke blauwe lucht, traag wiekende molens, witte zeilen op plassen en meren. Welnee. Met de nek ingetrokken chagrijnig kijkende reigers aan de rand van een sloot, op hol geslagen windmolens die stroom op dienen te wekken, en halve idioten die met een zwaar gereefd grootzeil het zoute water van de Grevelingen proberen te trotseren. Hoera, het is voorjaar in Holland.

Onder het dekbed liggend bedenk ik wat ik vandaag mis. Die uitnodiging die ik heb afgeslagen. Joh, ga lekker mee. Lekker golfen. Met zes truien over elkaar in de polder tegen een balletje slaan, met bevroren ledematen uiteindelijk na vijf uur het clubhuis bereikend waar de openhaard brandt en de glazen whisky wachten om te denken dat je daarmee weer een normale temperatuur kunt kweken. Lekker napraten over die op een haar na gemiste birdie. Nou ja, het après golf spreekt mij wel aan en misschien dat ik mijn neus daar nog wel laat zien, hangend in een versleten chesterfield, een drupje malt onder de neus met mijn voeten dicht tegen de openhaard naar buiten kijkend hoe het stelletje edicts de laatste en acttiende hole bereiken, alvast verlangend kijkend naar het clubhuis waar ik dan de beste plek bezet.

Onder mijn dekbed op de zachte matras maak ik mijn voorstelling, bedenk hoe golfen in Thailand gespeeld wordt met starttijden rond zeven uur in de morgen omdat dan de temperaturen nog redelijk normaal zijn. Dat er na ruim vier uur en achttien holes geen openhaard wacht maar koelte suggererende blowers en vooral koud bier die je snel moet drinken want de dertig graden wordt inmiddels bereikt en zie daarmee je kwart litertje bier maar eens koel te houden. 

Verlang ik al terug, naar Thailand? Ik draai mij nog eens om en voel het bed zacht veren. Nu eigenlijk nog niet. Dit ligt aan de wetenschap dat maart en april nou niet bepaald de beste maanden zijn om in bijvoorbeeld Chiang Mai te vertoeven. De veertig graden die om deze tijd van het jaar makkelijk bereikt kan worden. De jaarlijks terugkerende smog die over de stad, nou ja, de hele provincie hangt door het afbranden van landbouwgronden. Het is op dat moment van het jaar net zo grijs als in Holland en werkt het net zo deprimerend maar dan zonder zacht bed verstopt onder een dekbed. De straten in Chiang Mai worden op dat moment van het jaar ook gevuld met mensen die mondkapjes gebruiken, hun longen beschermend tegen de vuile lucht van het autoverkeer en de talloze motobikes die hun aandeel toevoegen waardoor de norm met vele procenten wordt overschreden. En Holland en omliggende landen maar hun best doen om luchtvervuiling zoveel mogelijk tegen te gaan.

Holland, ja ik ben in Holland en heb veel achter mij gelaten waarvan veel mij bijna tot een zenuwinzinking bracht. Allemaal zelf veroorzaakt natuurlijk. Zo eerlijk ben ik wel tegenover mijzelf, maar toch. Onder het dekbed liggend glijden mijn gedachtes terug naar die periode. Mijn God, wat was ik blij dat ik voor een wijle terug kon naar Nederland. Eens even weg uit dat moeras van gekonkel en kinderlijke jaloezie. Morgen ga ik achtergebleven warme kleding brengen naar haar nieuwe partner. Als zij over twee weken ook aankomt in Nederland mag zij het niet koud hebben. Als zij haar intrek neemt in een totaal ander huis bij haar nieuwe vriend moet zij zich senang voelen. In het winterjack dat ik voor haar kocht in Brussel, jaren terug toen zij gewoon nog naar mij toe kwam en ik haar Europa liet zien. Om te beginnen Brussel. Het hart van Europa. Zou zij aan mij denken, als zij het jack krijgt aangereikt op Schiphol. Hij het haar netjes voorhoudt en haar helpt zich daar in te steken. Ik hoop dat hij dat doet. Dat hij zegt; kijk, Bert heeft dit mij bij gebracht zodat je het niet koud zal hebben. Dan moet zij wel aan mij denken. Bert heeft aan mij gedacht. Hij wil niet dat ik het koud heb. Misschien dat dan haar haatgevoelens verdwijnen, of op z’n minst afzwakken. Hij is mij niet vergeten, moet zij denken. Nee, meer nog, hij houdt nog steeds van mij. Anders, maar hij houdt nog steeds van mij. En zo is het ook. 

Je begrijpt het niet, zei ik alsmaar bij het afscheid op Chiang Mai airport waar zij mij alsnog afleverde voor mijn terugvlucht naar Holland. Je visie is verkeert. Ik heb je niet ingeruild. Ik heb je vreselijk beledigd, dat wel. Ik heb een speeltuin betreden die verboden is. Alles daarmee op het spel gezet. Ben van de schommel gevallen en heb mij vreselijk bezeerd, armen en benen gebroken, weken lang opgenomen geweest in een ziekenhuis en op mijn donder gekregen over het feit dat ik een verboden speeltuin ben ingestapt. Zoveel op m’n donder gekregen dat je mij ingeruild hebt tegen een ander, veel beter luisterend en oppassend kind die misschien wel kan leven bij jouw wil van “Moeders Wil is Wet”. Maar je mag het niet koud hebben nu je weer terug bent in Holland en bij die ander gaat wonen om te zien of je tijdens de toegestane drie maanden verblijf iets op kunt bouwen wat leidt tot misschien wel een huwelijk. Iets wat ik mijn hele leven uit de weg heb proberen te gaan en in ons geval ook niet mogelijk was omdat ik al getrouwd was. Met een kasplantje weliswaar, maar ik was en bleef getrouwd. Moreel en financieel onhaalbaar om mij daarvan te laten scheiden.

Onder het warme dekbed met mijn gedachtes die weer automatisch naar het drama van de afgelopen maanden worden getrokken, voel ik mij als Jezus aan het kruis. Jongen, denk ik, wat een zelfopoffering heb je toch. Pure een niet zichzelf zoekende liefde straal je uit met alle ruimte en daarmee kansen creërende mogelijkheden voor je ex. Een totaal ingericht huis laat je achter. Een huis op een unieke plek in Mae Jo, op een minuut van de golfbaan. Ik zoek wel iets anders, als ik ooit nog terug kan. Je nieuwe vriend hoeft alleen maar binnen te stappen. Alleen maar lief voor je te zijn, en trouw vooral, en medelevend, en over zich heen kunnen laten walsen, jouw “Moeders Wil is Wet” accepteren, geen tegenspraak geven en vooral alles betalen wat niet veel meer kan zijn want dat heb ik de afgelopen jaren al gedaan. Met een rotklap val ik van het kruis en ben weer een gewoon mens dat zowat uit elkaar barst van jaloezie. Wat ben jij met mijn vrouw van plan!? Schoft. Er lopen zo’n tienduizend vrouwen rond in en om Chiang Mai die hunkeren naar een farang, maar nee hoor, jij moest de mijne. Of moet ik toch maar gewoon dankbaar zijn dat je mijn taak hebt overgenomen, zeker omdat ik leef op een tijdbom die al tien jaar rustig doortikt en waarvan niemand weet wanneer dat tikken precies ophoudt, de boel uit elkaar barst en ik ten onder ga, gorgelend, stikkend, zwetend, trillend, angstig voor hetgeen komen gaat en niet weet wat dat is. De hersenstam blijft maar de wil tot leven aansturen. Een hopeloze strijd. Waar zal het gebeuren. Hier, in Holland? Kan ik een keuze maken? Wil ik het in Thailand? Onder de bezielende leiding van mijn speeltje die ik allang verteld heb wat ik zoal mankeer zodat zij er niet op moet rekenen een lang en gelukkig leven samen met mij als speelkameraatje tegemoet te zien.

Ik krijg het er warm van en gooi het dekbed van mij af. Ik heb ook al een half uur trek in een sigaret. Maar dan zal ik eerst moeten douchen, mij aankleden en dan het terras op moeten in de vrieskou omdat ik verblijf in een niet-rokers huis. Koffie, een sigaret, het ultieme laxeermiddel dus hierna poepen. A Day In The Life zogezegd.