
Met een ruk stond zij op, opende de
schuifdeuren naar het balkon, snelde naar de balustrade en leunde daar overheen
als een zeezieke. Alleen, beneden haar was geen water, laat staan een kolkende
zee die het schip bestormende als zijn grootste vijand. Onder haar was slechts
een wildgroei aan planten die als golven over elkaar heen duikelde. Zij leunde
voorover. Zich vasthoudend aan het hekwerk. Haar hoofd naar beneden gericht.
Een kleine sprong zou het betekenen. Een kleine sprong en terecht komen tussen
de wildgroei aan planten die waarschijnlijk haar val zouden breken, haar zelfs
zouden terugveren als iets onbenulligs wat hun rust verstoorden.
Zou zij het durven. Met belangstelling bekeek ik
het tafereel. Natuurlijk durft zij niet. Net zo min als dat zij het zou durven
de trekker over te halen als zij de loop van een pistool tegen mijn slaap zou
zetten. Het idee dat de inslag van een kogel mijn hersenpan zou openrijten waarna
te zien zou zijn hoe de hersens bloederig en wel naar buiten puilden. Een heel
leven aan herinneringen, behendigheden, ervaringen verspreidt over restjes
schedel. Een bloederige massa van wat eens de geest van een mens
vertegenwoordigde.
Als zij wel zou durven te springen, moet zij dat
vooral doen met haar hoofd naar beneden. De meeste kans op succes. Het
linkerbeen over de balustrade, je afzetten met het rechter, dan de val, en in
die val je zo zien te draaien dat je hoofd recht naar beneden is gericht.
Probeer het maar eens. Je moet een acrobaat zijn om dit te kunnen. En zij is
geen acrobaat. Althans, niet met het lichaam. Zij is veeleer een acrobaat in
haar denkwereld waarmee zij mij probeerde te manipuleren. Mij op te laten
springen, uitroepend, niet doen! Het spijt mij, in godsnaam, niet doen! Maar ik
hield mijn kop. Keek slechts. Wachtte af terwijl ik allang zag in haar
lichaamshouding dat de sprong niet gemaakt zou worden. Net zo min als dat zij
de trekker zou over halen.
Het is een spel. Geleerd uit de Thaise soaps
waar moord en doodslag aan de orde van de dag zijn. Uit het leven gegrepen.
Afgunst, manipulatie, onzekerheid over het eigen bestaan. Via de Thaise
televisie wordt het dagelijks de huiskamers in geslingerd. Het is maar spel. En
zij speelde het spel aan de rand van de balustrade waarvan het hekwerk haar tegen
hield. Hoelang nog, vroeg ik mij af. Eeuwig, vreesde ik. Spring dan, wilde ik
roepen. Vooruit, spring dan. Beter dan dat je aan een revolver weet te komen om
de loop van dit tuig tegen mijn slaap te houden met de dreiging dat je me zal
vermoorden. Waarom? ‘Omdat ik je haat,’ zou zij gillen. ‘Haat is ook liefde,’ zou
ik zeggen.
De dwang tot de daad van zelfvernietiging, of
anders wel de vernietiging van de nieuwsbode, was het gevolg van mijn absolute afkeer
gebonden te zijn aan een persoon. Man, vrouw, kind, maakt niet uit, maar iets
dat mij wil beroven van mijn vrijheid krijgt het met mij aan de stok. Ik heb
het nooit gekund, vrijheid op te geven en dat spijt mij omdat het niet leuk is
anderen te moeten teleurstellen in hun verwachtingspatroon. Reacties op mijn
vrijheidsdrang heb ik jarenlang op heel veel verschillende manieren mogen
ervaren. Van een ontroerend tranendal tot een opgelucht ademhalen, maar nooit
dat de persoon in kwestie suggereert in staat te zijn zichzelf te vernietigen.
Daar moet je dan blijkbaar voor in Thailand zijn waar hele bevolkingsgroepen de
dagelijkse over hun uitgestrooide soaps bewonderen en met wat daarin gebeurt als levensecht beschouwen.
Ik keek dus naar een soap na mijn eenvoudige
mededeling dat het allemaal te lang geduurd heeft. Alles. Hier moest een eind
aan komen. Zo kon ik niet voort leven. Ik dreigde haar speeltje te worden in
plaats van het omgekeerde. Ik ben zeventig. Ik kon het niet meer aan, half
samenlevend met een halve nymfomane. ’s Middags wil ik slapen. Een uur,
misschien wel twee. Dan lag zij met haar hoofdje op mijn rechterschouder en kriebelde
haar haren onder mijn neus waardoor ik telkens moest wrijven van dat gekriebel.
Zo slaap je niet. En al helemaal niet als haar hand zich naar mijn kruis
verplaatste in de hoop dat daar iets te ontdekken viel wat haar wellust kon
bevredigen. Ik werd er gek van. Dertig jaar jonger had ik het nog het avontuur
van mijn leven gevonden.
Dertig jaar terug, maar toen was zij twaalf.
Leefde in een gezin met elf broers en zussen. Daar, in de Isaan. Misschien dat haar
ouders in de verdeling van het geven van liefde aan hun kinderen een rol hebben
gespeeld. En haar behoefte lief gehad te worden nooit is erkend. Dat zij daarom
constant bezig is te zoeken naar een bevestiging van haar bestaan. En dit uit
in het hebben van seks. Ik heb je bestaan toch bevestigd, dacht ik. Ik heb grote
risico’s genomen voor jou. Ik ben hierdoor veel, heel veel kwijtgeraakt. Ik heb
een strijd verloren om jou te bevestigen in je bestaan. En nu dreig je je
bestaan teniet te doen op een wel zeer afdoende manier. Of, als je het zou
durven, mijn bestaan te wreken omdat ik niet langer kan toegeven aan jouw wil.
Je vervalt in een soap, speelt na wat je dagelijks op televisie ziet. Je speelt
de miskende vrouw.
En ik wachtte af. Keek naar je hoe je aan de balustrade stond
en dreigde te bevestigen dat jouw leven waardeloos is. Wat speel je na. Welk
succes verwacht je. Spring dan. Ik hou je niet tegen. Ik heb je alles al
gegeven wat ik had. Spring dan. Je durft het toch niet. Want tegelijk denk je
aan je kinderen. En je wilt hun geven wat je zelf hebt moeten ontberen. Je
springt niet. En mij zal je niet vermoorden. Want je zal gaan begrijpen dat ik
niet onder de indruk raak van gemanipuleer en dreigementen. Een soap is iets
wat ik zie als een soap, en niet als een uit het leven gegrepen verhaal. Spring
dan!
Zij liet het hekwerk los. Zij draaide haar rug
naar het gat beneden haar. Haar ogen vol tranen. Ik stond op. Pakte haar hand.
Leidde haar naar binnen en gaf haar een glas water.