There are places I’ll remember
All my life, though some have changed
Some forever, not for better
Some have gone and some remain
All these places have their moments
With lovers and friends I still can recall
Some are dead and some are living
In my life, I’ve loved them all
Welke kwaliteiten? Daar moest ikzelf eens ernstig over
nadenken. Opleiding is voor mij een totale mislukking geweest. Deed acht jaar
over de lagere school. Tweemaal blijven zitten. Deed nog een jaar ambacht school met een opleiding voor schilder. Nou ja, deed. Liep zo'n beetje college. Afgekeurd voor zetter. Afgekeurd voor militaire dienst. Ontslagen bij
de diverse bedrijven. Hoezo kwaliteiten. Wat verbeeldde ik mij. Alles wat ik had
gedaan kwam voort uit een autodidact vermogen. Dit staat misschien wel ergens voor, maar kent een lange weg om iets te bereiken. Verder hing mijn leven aan
elkaar van toevalligheden, leefde ik in een fantasiewereld waarbij niets echt was.
Was ik John Lennon of Bob Dylan. Was ik Provo of Kabouter. Was ik antroposoof, deed alsof ik Goethe zelf was. Ik ben een soort
zandverstuiving, dacht ik. Een zuchtje wind, en mijn geest dwarrelt alle kanten
op. Zo, wat moet je dan verwachten als er storm op komst is.
Het losse zand waaruit ik besta leidde na negentien jaar bij
die drukkerij tot een burn-out. Zesenvijftig was ik inmiddels. Carrière loos
leunend op een vriendin waar ik mee samen woonde. Officieel werd zij mijn vrouw
middels een samenlevingscontract en toen gaf zij er tijdens een vakantie in
Thailand de brui aan door een hartinfarct, hartstilstand, herseninfarct. Overleefde
dit als een kasplantje. Een staat waarin zij in een verpleeghuis na ruim tien
jaar nog steeds verkeerd. Sindsdien heeft Thailand mij niet meer losgelaten.
Ben er naar toe teruggekeerd, ben er min of meer gaan wonen, en na ruim negen
jaar nemen de ergernissen over dit in mijn ogen hypocriete en stupide volk, die men Thai
noemt, zo toe dat ik overweeg het land de rug toe te keren.
Tien jaar geleden ging ik terug omdat een chirurg -die mij
geopereerd had na vage klachten in de buik- verklaarde dat ik aan een
onbehandelbare kanker leed en waarschijnlijk de Kerst niet zou halen. Het was
toen september 2005. Omdat ik nog steeds goed functioneerde bedacht ik dat het
misschien wel een goed idee zou zijn nog een keer op vakantie te gaan, en dan
naar Thailand. Het resultaat? Gewiegd in de armen van Siam door buitengewoon
begripvolle vrouwen die kanker beschouwen als een verkoudheidje, en als het
erger mocht blijken Boeddha daar was om je op te nemen en later te reïncarneren
als een Prins of toch tenminste als miljonair. Resultaat dus; verslaving.
Verslaafd aan het
land met sprookjes. Verslaafd aan de vrijheid, het klimaat, de kosten van levensonderhoud
en niet in de minste plaats, alle schoonheden die er zomaar los en vrij
rondlopen en voor een appel en een ei de jouwe zijn. In hoog tempo ging mijn
spaargeld naar de hongerige partij schoonheden, klemde mij om mijzelf te redden
van een zeker faillissement dan maar vast aan een die solide en betrouwbaar
leek en bleef acht jaar met haar samen. Bleef want het Thaise bloed kruipt waar
het niet gaan kan, en mijn bloed trouwens ook want het spreekwoord luidt: de
vos verliest wel zijn haren maar . . .
Ik woon in een appartement tegen het hartje van de stad
Chiang Mai. Van hieruit heb ik een prachtig uitzicht op de eeuwig groene bergen
van Doi Suthep waarop de Wat Phrathat dat een boeddhistisch heiligdom
vertegenwoordigd waar hordes gelovigen en toeristen op afkomen. Een paar maal
ben ik boven op de berg geweest en nooit erg onder de indruk geraakt van het
heiligdom. Wel van de veelal blanke toeristen. Heren smaakvol gekleed in korte
broek waarbij het kruis zo ongeveer tussen de knieën hangt, hierboven een leuk
mouwloos shirt waarop een biermerk prijkt, Ali B. Petje op het kalende hoofd,
open sandalen aan de voeten met ranzige nagels en een digi op de zeven maanden
zwangere buik. Veelal zijn de heren in het gezelschap van een jonge Thaise
schoonheid, mochten het echter blanke echtparen zijn, dan voldoet de echtgenote
aan het schoonheids ideaal uit de tijd van Rubens. Westers decadente welvaart
rond de Stoepa waarin zich restjes as van Boeddha moet bevinden, maar dit
beweert elk zichzelf respecterende Wat hier in Thailand.
Ik leef bijna hele dagen in het door mij gehuurde
appartement, kom slechts buiten voor een rondje golf en ik word dagelijks
verzorgd door een Thais vriendinnetje die mijn afwas doet, het appartement
schoon houdt om na haar gedane arbeid mijn bed te gebruiken om haar tekort aan
nachtrust in te halen. Ik heb geen tekort aan nachtrust. Mijn ogen strijden om
half negen ’s avonds al tegen de zwaartekracht en zijn niet in staat deze
strijd te winnen. Zo maak ik ruim negen uur per nacht en begin de volgende
dag met hernieuwde moed die mij al snel in de schoenen zakt met het gevoel dat
ik moet afronden en niet precies weet hoe.
Ik begon maar te schrijven over het verleden. Een soort
therapie eigenlijk. Het leidt voor een moment de aandacht af van het heden. Ik
zie mijzelf dan weer op de hoek van de Zestienhovenstraat en de Roderijselaan
hangen met de andere jongens. Het woord bestond nog niet eens, maar wij waren
hangjongeren. Herinner mij een winter dat het zo had geijzeld, dat je op de
straat kon schaatsen. Een winter dat de sneeuw hoog opgejaagd tegen de kale
Platanen op de laan lag. Dezelfde winter toen wij als familie gingen kijken in
Scheveningen hoe de zee dichtgevroren leek.
Een zomer die zo lang duurde, dat sommige mensen zeiden het
nu toch wel angstig te vinden. ‘Kan mij niet lang genoeg duren,’ zei mijn
vader. Mijn moeder tikte tegen het glazen ruitje van de barometer, en
voorspelde dat het nog lang ging duren. Ik geloof dat het diezelfde avond nog
ging onweren.
Als ik voor een wijle terug ben in Rotterdam om mijzelf op
m’n stabiele ziekte te laten controleren, kan ik het niet laten. Even terug op
de plekken zonder zorgen, ervaring, schuldgevoel. Als ik door mijn buurt loop waar
ik ben opgegroeid. Als ik de plekken passeer waar ik gewerkt heb. Hoeveel
plekken? Alleen in Rotterdam al? Twaalf, dertien, ik weet het niet meer. In
totaal komt het neer op zo’n achttien stuks verdeeld over het land. Veel
bedrijven bestaan allang niet meer. Veel zijn nog springlevend. Veel vrienden
bestaan ook niet meer, evenals liefdes. Maar ik kan ze allemaal nog voor de
geest halen. En sommige zijn nog steeds aanwezig.
Herinneringen opschrijven is niet moeilijk. Moeilijk is het
dingen weg te laten. Makkelijk is het om te schrijven dat in mijn leven veel
mensen die ik heb mogen leren kennen, nog steeds een plaats hebben in mijn
hart.


