Mijn Boeddha, of mijn God, Jezus Christus wat een heisa, zo’n Moederdag hier in Thailand, tegelijk met de verjaardag van de koningin. Was ik maar weggebleven. Rustig op mijn appartement, I-Tunes, Bach radio, Arnon Grunberg. “De man zonder ziekte”. Mijn verzwakte lichaam koesterend na een longembolie door het te veel en te kort op elkaar vliegen. Bangkok-Amsterdam v.v.
Mijn lichaam doet niet meer waarvan ik vind dat het wel moet doen. Had ik mij maar niet mee laten nemen naar het heiligdom Wat Doi Kham boven op een berg om daar alle moeders te eren, in gebed voor een of ander beeld, wierrookstokjes plaatsend voor weer een ander beeld, bloemen leggend voor weer een ander beeld, honderd baht of meer stoppend in een busje wat geplaatst is voor je geboortedag.
In godsnaam, wat was mijn geboortedag, geen idee. Ik was er dan zelf wel bij, maar vergeten te vragen welke dag het eigenlijk is. En dit alles natuurlijk om geluk over jezelf af te smeken waarin je van harte gesteund wordt door de talloze loten verkopers(sters) die je erin willen laten tuinen want vandaag is de dag van het grote geluk, de miljoenen hoofdprijs wacht jou en enkel jou, die andere lotenkopers zijn sukkels en hebben geheid een NIET.
Mijn lichaam is vermoeid, mijn hoofd eveneens. Het laatste lijdt tot hallucinaties. Soms zie ik dingen die er niet zijn, of er misschien wel zijn maar dan interpreteer ik ze verkeerd. Zoals bijvoorbeeld dat alle 750.000 inwoners van Chiang Mai tegelijk met mij aanwezig waren op die berg, bij dat heiligdom en smeekte om zegen vertaald naar een nieuwe Toyota Camry, Toyota Hi-Lux of misschien een Mercedes of anders dan maar een BMW. Niet dat zij daar enige vooruitgang mee zouden boeken, want of je nou met een splinternieuwe Mercedes in de altijd aanwezige file staat of met je vijftien jaar oude Toyota Hi-Lux, maakt in mijn opinie niet veel uit. Maar het oogt goed naar de buren die in een soort gelijk bouwval wonen als zijzelf, waarbij wonen wordt gezien als een plek waar je kunt slapen, leven doe je buiten onder wat palmbomen.
Schuifelend binnen de mensenmassa die voor
99,9 % de Thaise nationaliteit vertegenwoordigden, ontwaarde ik een andere
frang. Ook meegenomen aan het handje van zijn Thaise geliefde die hem, zoals ik
mij voorstelde, de belangrijkheid van het animisme binnen het Boeddhisme zou
bijbrengen door juist op deze dag haar te voorzien van een handjevol loten
waarbij zij nauwkeurig de op haar gevoel juiste nummers uitzocht. Enkele
honderden baht’s veranderde van eigenaar en zij maakte een Wai naar haar
farang die glimlachend zijn schouders optrok. Ach ja, zal hij denken, een
kinderhand is gauw gevuld. Maar ook kinderhandjes groeien met de tijd en voor
je het weet zijn het grijpgrage klauwtjes.
Mijn belangstelling voor mijn
omgeving met al die biddende mensen, al die brandende wierrookstokjes, die hele
bloemenzee voor een heilig beeld, werd verlegd naar de farang met zijn Thaise
schone en ik volgde hen op een gepaste afstand. Waarom? Farangs hebben altijd
mijn aandacht getrokken en zeker als zij met tattoos zijn besmeurt, een
kaalgeschoren kop hebben en uiteraard een bierbuik die over de riem van hun
korte broek hangt. Alleen, hier was er geen sprake van het stereotype beeld wat
ik zo langzamerhand van een farang heb.
Hier ging het om een zo te zien
welgestelde heer, goed gekleed, flamboyant zou ik haast zeggen, zonder
bierbuik, tattoos of andere attributen die zijn eventueel aanwezige
minderwaardigheidscomplex zou moeten verbergen.
Hij was lang en slank. Ik
schatte hem even in de zestig en had een aangenaam gezicht met een mond die
vrijwel constant een glimlach vertoonde. Zijn bovenlip was gesierd met een dun
snorretje, een hoog voorhoofd, grijs achterover gekapt haar die een lichte
golving vertoonde. Mijn vader, dacht ik. Het evenbeeld. Uiteindelijk twintig
jaar na zijn dood gereïncarneerd bij Wat Doi Kham aan de hand van een
Thaise engel die op geen haar na op mijn moeder leek.
Jij flierefluiter, dacht
ik. Lekker op stap met een Thaise schone terwijl mijn moeder daar boven zit te
wachten of jij van plan bent ooit nog eens terug te komen in het hemels
paradijs. Zeker op Moederdag. Daar liep hij, de arm van het engeltje
vasthoudend, haar af en toe iets in het oor fluisterend, een vrolijke lach
ontvangend van haar met haar prachtige regelmatige hagelwitte tanden.
Zij die
soms tegen hem aanleunde, hij die af en toe zijn hand om haar wespentaille
sloeg. Mijn vader waar ik altijd respectvol naar heb opgekeken. Gereïncarneerd
als een flierefluiter die niet van jonge meiden af kan blijven. Zij bleven
stilstaan bij een stalletje waar ringen werden verkocht. Samen bekeken zij vol
belangstelling de waar die werd aangeboden. Hij wees iets aan. Voor haar. Iets
met een briljant. Zij knikte. De verkoper opende het glazen kastje, pakte de
ring, zij schoof hem over haar vinger, hield de hand een stukje van zich af,
draaide haar hand een paar maal, het briljantje schitterde in het zonlicht.
Zij
glimlachte, mijn vader glimlachte, zij knikte, mijn vader knikte, de verkoper
knikte het hardst. De koop werd gesloten. Enkele duizenden baht’s van de ene
hand naar de andere. ‘Papa!’ wilde ik schreeuwen, ‘wat doe je. Wat heb je
gedaan. Weet je wel waar je mee bezig bent.’ Net op het moment dat ik een stap
naar voren wilde doen om hem mijn ongenoegen in te peperen, draaide de man zich
naar mij toe. Hoge jukbeenderen. De constante glimlach. Donkerbruine ogen. Hij
keek mij aan. Zij keek mij aan. “A girl with kaleidoscope eyes”. Haar ring
schitterde in het zonlicht. Zij toonde haar aanwinst met een recht naar mij
uitgestoken hand. ‘It’s beautiful,’ bracht ik uit. ‘Come Lucy,’ zei hij, en weg
waren zij. Aan zijn arm maakte zij een vrolijk huppelpasje.
-Dit verhaal is ook te lezen op trefpunt thailand.com naast een kuur van andere artikelen geschreven
door enthousiaste auteurs die het verre Oosten in hun hart hebben gesloten.
Naast het geschreven woord, valt er ook heel wat te zien op het gebied van
beeldmateriaal.
Log in op trefpunt
thailand.com en zet deze site in uw favorieten.-

