dinsdag 12 mei 2015

Spoken


 Een streepje licht door de bijna gesloten gordijnen kleurt het dunne rookwolkje van de sigaret blauw en grijs. Ik kijk er naar, op mijn rechterzij liggend en laat de sigaret ondertussen opbranden in de asbak naast mijn bed. Nog een uur, dan is de zon volledig verdwenen achter de bergen van Doi Suthep. Mijn kamer zal zich vanaf dat moment volledig in duisternis gaan hullen, tenzij ik de gordijnen openschuif om nog wat te kunnen profiteren van de avondschemer. Maar ik blijf liggen. Een stervende hoeft niet meer op te staan om gordijnen open te schuiven. Hij moet maar wennen aan de duisternis die hem wacht.


Ik hoor de sleutel in het sleutelgat en de deur wordt voorzichtig geopend. Daar is zij. Precies op tijd. Elke dag. Zachtjes sluipt zij naar binnen. Ik hoor hoe zij zich van haar schoentjes ontdoet. Op haar blote voeten naar mijn bed loopt. Een ogenblik kijkt zij naar mij. Ik voel het. Dan loopt zij om het bed heen en komt aan mijn kant. De kant waar ik op mijn rechterzij lig. De ogen geopend, nog steeds starend naar het dunne streepje licht door de kier van de gordijnen en de rook van mijn sigaret die de blauw grijze tint geeft.

‘O, je bent wakker,’ zegt zij en schuift beide gordijnen volledig open zodat de kamer in vol daglicht baadt. Onmiddellijk knijp ik mijn ogen dicht. Mijn pupillen zijn niet meer gewend aan vol daglicht. De meeste dagen breng ik in bed door en houdt de gordijnen gesloten. Te moe om nog op te staan. Slapen doe ik. Veel, vooral overdag. ’s Nachts lukt het allang niet meer. ’s Nachts zijn er spoken. En die moet ik in de gaten houden. Zij jatten namelijk. Zij proberen constant dingen uit mijn hoofd te halen en daar iets anders voor in terug te stoppen. Het is hun een paar maal gelukt en het resultaat was niet vrolijk. Sindsdien ben ik waakzaam. Zolang ik ’s nachts niet slaap, hebben zij geen kans en overdag vertonen zij zich niet, daar zijn zij te laf voor. Te laf om herkend te worden. Zij zijn zo stom om te denken dat ik hun ’s nachts niet herken. Nou, vergeet het maar. Ik herken ze wel. Waar zij op lijken? De ultieme vertegenwoordigers van het Joods Christelijk geloof. Calvinisten met morele waarden die elk persoon buiten het Joods Christelijk geloof discrimineert. Daarom moeten zij mij hebben. Willen zij dingen uit mijn hoofd halen om er iets anders in terug te stoppen. Vooral de op hun geënte geloofsovertuiging met daaraan verbonden de bekrompen morele waarden die discrimineert.

‘Hoe voel je je,’ vraagt zij.
‘Moe,’ zeg ik, ‘vooral moe.’
Nu gaat zij mijn asbak controleren, weet ik. Tellen hoeveel peuken er inliggen.
‘Vijfentwintig,’ zegt zij op een verwijtende toon. ‘Waarom rook je toch zoveel.’
‘Maakt het nog wat uit dan,’ vraag ik. ‘Of ik nou aan het een of het ander doodga.’
Zij zucht.
‘Zal ik bij je komen liggen,’ en maakt al aanstalten om mij een stukje op te schuiven, zo plaats voor zichzelf vrijmakend. Veel plek heeft zij niet nodig. Zij is klein. Haar hoofd komt nog maar net tot mijn middenrif ontdekte ik al lang geleden toen ik nog wel gewoon rechtop kon staan. Dat was voordat ik tot het besef kwam dat ik ’s nachts wakker moest blijven.
Zij kruipt tegen mij aan. Legt haar hoofdje tegen mijn schouder en slaat een arm om mij heen. Haar hoofdhaar begint gelijk in mijn neus te kriebelen zodat ik mijn arm die ik om haar heengeslagen heb regelmatig moet terugtrekken om met mijn hand de jeuk weg te wrijven.
‘Heb je gegeten vandaag? Ik heb wat meegenomen.’
‘Geen honger,’ zeg ik. Elke dag zeg ik hetzelfde.
‘Maar je moet wat eten. Straks sterf je nog een hongerdood.’
‘Nou en? Misschien is het wel prettiger dood te gaan van de honger. Het schijnt dat je dan in coma raakt en van niets meer weet. Duizenden, nee miljoenen, misschien wel miljarden zijn een hongerdood gestorven.’

‘Waren ze er weer?’ vraagt zij dan.
‘Wie? O, je bedoelt de spoken. Ja hoor, zij waren er weer. Zij proberen het nog steeds. Komen met talloze voorbeelden die zij in mijn hoofd proberen te brengen waardoor ik mij zo schuldig moet gaan voelen dat ik mij bekeer tot hun wetten. Mooi niet. Weet je hoe ik mij verzet?’
Zij kijkt mij verwachtingvol aan.
‘Ik werp een barricade op met gedachtes. Onder andere dat ik veel naar de natuur heb gekeken en gezien heb dat de natuur geen God heeft om te dienen, maar dat de natuur een godheid zelf is. De wet van de natuur is vrij van stupide regels bedacht door machtswellustelingen, burgerlijke “zo hoort het” types. De natuur handelt vanuit een onderbewustzijn. En wat zijn wij? Wij mensen? Een stuk natuur. En wat is onze makke? Wij hebben hersens waarmee wij kunnen nadenken en daarmee de arrogantie ontwikkeld dat wat wij denken juist is en ons onderbewuste geen enkele rol speelt. Moet je een romanticus zijn om te denken dat het onderbewuste alles weet, alles aanstuurt met een doel en het bereikte doel de oplossing is in de natuurlijke gang van zaken. Ik denk het niet. Je hoeft geen romanticus te zijn. Het zou zelfs tegen je kunnen werken omdat romantiek net zoveel verhult als een geloof. Bij een poging te ontsnappen uit de derde dimensie en over de heuvels heen te kijken leidt dan misschien tot een regelmatig bezoek van spoken die je nachtrust verstoren, maar het is de strijd waard. Zeker als de dood je in je nek ademt.’

Ik kijk naar haar. Zij heeft natuurlijk geen jota begrepen van wat ik zei, maar dat geeft niet. Zij is mijn moeder Theresa. Staat trouw volgens een natuurwet vanuit het onderbewuste achter mij en zal alles doen mij in het stervensproces ter zijde te staan. Dit straalt zij tenminste uit en ik heb tot nu toe geen reden om er aan te twijfelen. De twijfel die ik ooit had, niet alleen wat haar betreft maar tegenover de hele mensheid, is verdwenen. Ik weet nu dat zij handelen vanuit een onderbewustzijn en dat dit een doel dient. Alleen, is elk doel wel zo goed? Dient het de mensheid.
‘Weet je wie het gevaarlijkst zijn? Mensen die hun onderbewuste weten om te zetten naar hun bewustzijn, de derde dimensie zijn overstegen om hierna als een soort  heilige te worden verklaart waar hele volksstammen achteraan lopen. Neem Hitler, Stalin, Mao, . . . de mensheid een rad voor ogen draaiend. Hen hun wil opleggend. Dit is de weg roepend. De weg waar naartoe? Naar de afgrond! En wat is de afgrond? Verder te leven als een zombie. Nooit meer zelf na hoeven denkend. Gedijen, dat wordt het. Hele volkeren gedijen. Nooit meer zoekend naar de reden van hun handelen en wat het onderbewustzijn hun wil laten zien.’

Zij is in slaap gevallen. Ik voel het aan de kleine lichte schokjes die zij maakt. Het is ook een stomvervelend verhaal dat ik haar vertel. Zij gedijt al jaren. Vraagt zich niet zoveel af. Alles is er precies zoals het er wezen moet, zal zij denken. Ik zorg voor een oude zieke man die dood gaat. Boeddha heeft mij gezonden om hem te begeleiden. Weet zij veel dat het niet Boeddha is maar haar onderbewustzijn. Een handeling met een doel. Een doel wat zij niet kent. Zij handelt vanuit haar gevoel. Het gevoel is het onderbewustzijn. En dit vertegenwoordigd een doel. Nu hoop ik voor haar dat zij het uiteindelijke doel zal begrijpen als het doel geen doel meer is, maar werkelijkheid geworden. Dat zij het zal herkennen. O, dat was dus de reden. Hoe is het mogelijk. Dit had ikzelf nooit kunnen bedenken. Nee, dat klopt. Zoiets kun je zelf niet bedenken. Het onderbewustzijn is slechts bezig een doel te verwezenlijken. Een doel wat wij ons zelf niet bewust zijn omdat wij nog niet voldoende zijn geëvolueerd om de derde dimensie te overstijgen.

Ik moet haar een beetje verschuiven. Zij ligt met haar hoofdje op de plek waar mijn lever zit. En die doet pijn. Een scherpe pijn omdat de tumor tegen het vlies, wat om de lever heen zit drukt en geen tegendruk kan weerstaan.
‘Het is een zachte dood,’ zij mijn specialist, ‘leverfalen.’
Langzaam vergiftigt worden is dus een zachte dood. Wist ik niet. Er zal ook wel een coma uit ontstaan. Ik heb gezien wat een coma is. Weg van alles. Geen bewustzijn meer. En ik heb gezien dat de hersenstam de taak naar behoren blijft uitvoeren, het hart bloed laat rondpompen, het lichaam met al zijn organen zijn werk laat doen. Voor wat? Voor niks! Ik heb gezien dat het bewustzijn nooit meer terug kan komen. Dat de dood de enig natuurlijke oplossing is. Maar wat gebeurt? De spoken beslissen anders. Op morele idioterie die geen natuur erkent. En dan houden zij je nog het sprookje voor dat de patiënt misschien wel gelukkig is. Dus wordt het lichaam kunstmatig in leven gehouden. Met of zonder bewustzijn, maakt niet uit. Leven zal je kreng!

Wat echte godslastering is? Geloven, dat is het. Je moet niet geloven, je moet zeker weten. En je kunt pas zeker weten als je het resultaat ziet en herkend van wat je onderbewuste voor je heeft bedacht en een situatie heeft geschapen waarin je werkelijk gelukkig kunt zijn.
Ben ik nou gelukkig? Aan het eind? Eigenlijk wel. Ik zie het resultaat van wat het onderbewuste met mij voorhad. Ik leef met het gevoel een taak volbracht te hebben. Onbegrepen door de spoken, maar die zoeken het maar uit. Kom maar op. Vannacht zijn jullie er weer. Het worden er telkens minder, dat wel, maar er zijn altijd een paar “die hards”. Maar let wel, voordat ik de laatste adem uitblaas heb ik ook jullie verbannen uit mijn denkwereld.