Vandaag heb ik na haar vraag waarom het in Holland koud is en in Thailand warm, uitgelegd dat de aarde rond is en dat als je die bol doormidden zou snijden Thailand bijna geraakt zou worden door zo’n scherp mes, maar toch net aan het bovenste stukje blijft vastzitten. Dat bovenste stukje wordt het noordelijk halfrond genoemd.
Als je vlakbij het punt
woont waar de aarde precies doormidden gesneden kan worden, woon je dicht bij
de evenaar, zoals dat heet. En daar is het warm. Waarom? Omdat de zon daar recht
bovenop schijnt. En waarom het in Holland nou zo godsgruwelijk koud en
onaangenaam is? Omdat Nederland een heel eind van die evenaar afligt en het
zonlicht op die plek niet recht op de aarde schijnt. Begrijp je? Bijna. Als je
het wel begrijpt moet je er maar een mooie tekening van maken en mij die straks
maar eens laten zien. Ik gaf haar een A-viertje en een pen en zij tekende een
rondje. De aarde. Trok een rechte streep precies door het midden, tekende de
zon een stukje van de aarde af en trok streepjes naar het middelpunt, en naar
de bovenkant en zag dat die laatste streepjes een stuk langer waren dan de
eerste. Zij klapte in haar handen. Zij had het begrepen en ik kon verder waar
ik mee bezig was. Met niks dus. Voor me uitstaren, een belangrijke invulling
van mijn dagen. De oude man die zijn zonde overdenkt, en daar voorlopig nog wel
even mee bezig kan zijn als het tenminste ligt aan de mores van het boter op
zijn hoofd publiek zowel in Thailand als in Holland. Wat zeg ik, boter op het
hoofd? De volledige Blue Band fabriek zou er nog niet aan kunnen voldoen.
‘Ach, zo zijn mensen nou eenmaal,’ suste een
vriend van mij. Altijd fijn sussende vrienden. En sussende vriendinnen die
vooral van Thaise makelij zijn en een leven wensen van Sa Bai Sa Bai waarin
niet te veel nagedacht dient te worden. Zij hebben natuurlijk gelijk en dat
gelijk probeer ik mijzelf eigen te maken met voor mij uit te staren, proberend
aan niets te denken. Een soort Yoga met de hersens, of zoiets. Het juiste woord
zal wel meditatie zijn, erg populair geworden aan het eind van de jaren zestig
toen de Beatles zich daarmee bezig gingen houden in India, en de halve wereld
hen volgde wat de halve wereld trouwens toch al deed in die tijd waardoor drugsgebruik
populair werd en je op z’n minst een keer LSD moest hebben geprobeerd al was
het alleen maar om “I’m The Walrus” te kunnen begrijpen.
Hangend op de sofa staar ik in het niets en
bedenk, alles is niets, wat stelt het nou allemaal voor, het leven is zinloos,
kan net zo goed doodgaan en wentel mij bijna gelukzalig rond in zelfmedelijden.
Voelde ik nou tranen in mijn oogkassen? Een mooi moment in mijn appartement
waarbij ik ‘t maar niet na kan laten het te vergelijken met een armoedige
zolderkamer ergens op Montmartre in Parijs. De klanken van Satie vanuit de LBJ
speakers van mijn I-Pod, helpen een handje. Nou handje, zeg maar dat zij voor
90% verantwoordelijk zijn voor mijn valse sentimenten. Ondertussen zit mijn
speeltje als een kleuter op de grond met verschillende uit mijn printer
getrokken A-viertjes en maakt
tekeningen. Ik let er niet op wat zij precies tekent want ik ben te druk met
niets willen zijn en denk al aardig op de goeie weg te wezen want mijn ogen
worden zwaar en beginnen de strijd tegen de zwaartekracht te verliezen. Kortom,
opa dommelt in en doet zijn middagdutje, de handen gevouwen over zijn buik,
zijn hoofd tegen de rug van de canapƩ, mond half open met het vertrouwde
huislijke grootvaders geluid zo als ik mij die herinner uit de jaren vijftig .
Een licht slaapje waarna je je dromen kunt herinneren bij het weer wakker
worden, en moet constateren dat dromen bedrog zijn in tegenstelling tot de
naakte werkelijkheid welke je voorgeschoteld krijgt met een teruggekeerd
bewustzijn.
Of is wat ik zie ook bedrog? Voor mij uitgestald
liggen zes A-viertjes met tekeningen en ik moet mijn ogen uitwrijven om te
kunnen geloven wat ik zie. Ik zie zes topstukken, in juiste verhoudingen
getekende afbeeldingen van de stoel, het bed, de tafel, een portret van mijn kop
en mijn lighouding op de bank.
‘Heb jij dit gemaakt,’ vraag ik haast stotterend.
‘Ja,’ zegt zij.’ ‘Goed?’
Mijn mond staat open. Een voor een geeft zij
mij haar tekeningen. Dodelijk voorzichtig pak ik de A-viertjes aan. Bekijk de
met een gewone ballpoint gemaakte kunstwerken.
‘Wie heeft je dat geleerd?’ Ik kan mij niet
voorstellen dat zij dit zomaar heeft zitten schetsen terwijl ik pogingen
ondernam in het niets te verkeren.
‘Niemand,’ zegt zij en trekt haar schouders
op. ‘Gewoon doen.’
Gewoon doen. Hier zit aan mijn voeten een natuurtalent
die daar geen weet van heeft en normaal haar tijd loopt te verkwanselen als
caddie op een golfbaan. En dan ook nog met mannen die er een hobby van maken
haar in haar welgevormde billen te knijpen.
‘En je hebt thuis nog meer. Ik bedoel, nog
meer tekeningen?’
‘Nee,’ zegt zij, ‘ik teken nooit. Geen tijd
voor.’
Ach nee, geen tijd voor. Natuurlijk niet. Er
moet gewerkt worden, karretjes voortslepen, stokken en ballen schoonmaken,
aanwijzingen geven, veel lachen en gekheid maken, op die manier op meer tip
rekenend. Een natuurtalent. In vele vormen. En de meest waardevolle heeft zij
verborgen met haar zelfonderschatting. Twee tegenpolen zitten tegenover elkaar.
Ik boven haar zittend op de bank, zij onder mij zittend op de grond.
Zelfoverschatting en zelfonderschatting. Ik laat mij op de grond zakken en ga
naast haar zitten.