There are
places I'll remember
All my life, though some have changed
Some forever, not for better
Ineens kwam er een totaal ander geluid uit de
transistor boven op mijn slaapkamer. Radio Luxemburg was een populaire zender
waarop Buddy Holly, Gene Vincent, Vince Taylor, Del Shannon en nog wat andere rockers te beluisteren vielen.
Opzwepende muziek, maar inmiddels was mijn voorkeur al uitgegaan naar Jazz, met
name Dave Brubeck, Art Blakey, Thelonius Monk. Misschien niet helemaal passend
bij een vijftienjarige, maar echt iets aparts vond ik nou eenmaal niet in de
populaire rockmuziek, en al helemaal niet bij Elvis Presley. Totdat er zich dat
totaal nieuwe geluid aandiende.
Ik hoor het Herman Stok nog zeggen in zijn
programma
“Tijd voor Teenagers.”
‘Een aardig plaatje van Cliff Richard wat
zomaar een nummer een hit zou kunnen worden, maar op het moment is dit het
geluid in Engeland.’
“Please Please me”, klonk het en ik
verstijfde. De rillingen liepen over mijn rug. Mijn op Jazz akkoorden geoefende
oren herkende het meteen. Dit was niet het normale E, A, B, schema wat in de
rockmuziek werd toegepast, hier werden Jazz akkoorden gebruikt. Gecombineerd
met harmonieuze zang in een opzwepend rocktempo. ‘Luister,’ riep ik naar mijn
moeder. ‘Luister!’
Ach ja, mijn moeder. Zij zorgde er niet alleen
voor dat ik weer een baantje had, hoe vreselijk ook, maar was ook mijn beste
vriendin, wat ik in die tijd hardnekkig zou ontkennen natuurlijk, maar dit is
een realisatie die pas na jaren kwam bovendrijven.
Mijn moeder was ontegenzeggelijk muzikaal. Zij
speelde niet alleen verdienstelijk piano, maar zij had daarnaast een fijn
gevoel voor goede muziek wat er in resulteerde dat de hele godganselijke dag
Beethoven, Mozart, Schubert en ga zo maar door, via de radio te horen was. Het werd er bij ons als het ware
ingehamerd en het ontging mij niet dat ik in tegenstelling tot mijn twee
broers, het meest gevoelig was voor haar smaak. Haar invloed op mij hield
trouwens niet op bij haar muziek keuze, er waren nog een tal van andere dingen
die ik feilloos aanvoelde en te maken hadden met goede smaak of een “Meme”, een
aangeboren gevoel voor beschaving. Lang voor mijn recalcitrante pubertijd,
waren wij een eenheid. Ook al was ik dan een zoon en had ik eigenlijk een
dochter moeten zijn, want naast die andere twee had zij liever een meisje
gekregen, voldeed ik blijkbaar toch een aardig eind in haar wens. Mijn vader
leerde mij fietsen, mijzelf leerde ik rolschaatsen, maar mijn moeder leerde mij
zeilen en dit laatste zou een zeer groot deel van mijn leven mij een dienst
bewijzen.
Mijn moeder hoorde het dus ook. Zij zocht de
noten op de piano, zocht de akkoorden, fronste haar wenkbrauwen en zei:
‘Jezeem.’ En dit was nog maar het begin. Dit was nog maar het eerste wat wij
gehoord hadden. Wij hadden geen idee wat er nog zou volgen.
Omdat de grafische bond vond dat ik als
afgekeurde leerling handzetter ook daar in die drukkerij niet kon blijven, nam
ik via een advertentie een baan aan bij de RMI. Leerling zeefdrukker. En weer
vertrok ik ’s morgens vroeg op de fiets vanuit het oude noorden door het
centrum, over de maasbruggen naar Rotterdam zuid, en begon om half acht te
zeefdrukken. Blikvangers, die in de etalages geplaatst werden van de RMI
zuivelwinkels. De ontwerpen en tekeningen van deze blikvangers werden
vervaardigd door een kunstenaar met lange sliertige haren en een indrukwekkende
baard. Zijn werk voor de zeefdrukafdeling was voor hem een zeker maandelijks
inkomen, daarnaast was hij vooral kunstenaar die surrealistische schilderijen
maakten. De eerste keer, dat ik door hem uitgenodigd, een expositie bezocht,
bekeek ik een schilderij en vond het doodzonde dat er zo’n grote scheur in de
rechterbovenhoek van het doek zat. Nadere beschouwing leerde dat de scheur was
geschilderd en het een onderdeel vormde van het schilderij zelf. De verdere
voorstelling op het doek was dus surrealistisch, een voor mij volkomen
onbegrepen tafereel. Het was niet alleen zijn werk dat tentoongesteld werd,
maar ook andere kunstenaars hadden er de door hun gemaakte kunst hangen, alleen dat bekeek ik
niet. Ik vond het voldoende om naast hem te zitten, samen met zijn vrouw in
kleurige kleding gestoken en met veel kralen in haar haar. Er waren overigens niet alleen
beeldend kunstenaars aanwezig, maar ook schrijvers, dichters, poëten. Er
lag bijvoorbeeld op een tafel een stapeltje op een soort krantenpapier gedrukte
verzen, waarvan ik een exemplaar mee naar huis nam. Wat stond er op te lezen;
“Ik sie fixi” en nog wat ander verkeerd gespelde woorden waar mijn broers zich
om bescheurde omdat zij niet zoals ik de ware kunst hiervan herkende. Ik ook
niet natuurlijk, maar zoiets geef je niet toe als je net besloten hebt ook
kunstenaar te worden en eindelijk de richting weet die je uit wil. Alleen,
welke kunst. Verkeerd spellen kon ik uitstekend, maar ik miste nog de
inspiratie over wat ik nou eens verkeerd ging spellen waardoor het kunst leek.
Waar het precies vandaan kwam weet ik niet
meer, maar ik besloot fotograaf te worden. Het kan zijn door de benaming van
dit beroep waarin graaf voorkomt en ik dit wel voornaam vond, of het feit dat
een fotograaf wel enig aanzien had. Per slot was enig snobisme mij niet vreemd.
Maar mijn beslissing ten aanzien van mijn beroepskeuze maakte ik mijn moeder
annex manager bekend en zij ging op pad. Binnen de uitgebreide kennissenkring
van mijn ouders, voortkomend uit de watersport, zat ook een fotograaf met een
studio aan de Bergweg. Mijn moeder er heen, sprak met van Oudgaarden, de
eigenaar, en deze nodigde mij via m’n moeder uit maar eens langs te komen. Op
loopafstand van ons huis ging ik op de afgesproken datum op pad in mijn Sky
jasje waarvan ik de kraag naar binnen had geslagen want zo leek het op zo’n jasje dat
The Beatles droegen. In die tijd deed ik ook verwoede pogingen mijn haar te
laten groeien, wat telkens mislukte onder druk van mijn moeder.
Tegenover mij stond een grote vent met een
pijp in zijn mond in corduroy broek een houthakkers hemd en een bruine kop
waarin goed te zien was dat hij een wilskrachtige kin had. Een zeezeiler optima
forma. No nonsens, sjorren aan die lieren, recht zo die gaat, koers is koers.
Niet dat ik toen al op de hoogte was van zeezeilen, maar ik vond hem het
prototype van iemand die zich met deze tak van sport bezig hield. En hier
spraken wij dan ook over. Hij over het zeezeilen, ik over mijn kleine BM op de
Bergse plas. En last but not least, ik kon bij hem komen werken als leerling
fotograaf voor tien gulden per week. ‘Weet je trouwens dat je kraag naar binnen
geslagen zit,’ zei hij nog toen wij na de gemaakte afspraak afscheid namen van
elkaar.
‘Het is gelukt,’ riep ik al vanuit de gang
naar mijn moeder. ‘Ik mag er komen werken.’
‘Dat is fijn,’ zei zij, en tikte in het
voorbij lopen op het ruitje van de barometer.
Wordt vervolgd



