There are places I’ll remember
All my life, though some have changed
‘Je kan best op de fiets,’ zei mijn moeder nadat zij op het ruitje van de barometer had getikt. Zo werden er weer twee dubbeltjes op de tram bespaard.
Op de fiets door het oude noorden via
het centrum over de Maasbruggen naar de Persoonsdam. Een half uurtje flink
doortrappen en dan net op tijd bij de fietsenstalling van Drukkerij Reclame.
Een door mijn moeder bedachte oplossing voor het kind dat op school niet wilde
deugen. Dan maar zo’n carrière “van onder af beginnen.” Ik werd assistent lamineerder.
En wat betekende dit, als jochie van nauwelijks veertien bij een uit de klei
getrokken boom van een vent, onverstaanbaar door zijn Brabants accent; staan achter
een machine die een vreselijke tering herrie maakte en rollen papier waarop
Blue Band te lezen viel door de machine laten lopen waarna het een mooie glans kreeg.
Ik kreeg een donker blauwe overall, mijn meerdere droeg een grijze, de chefs die
er rond liepen droegen geen overall, maar een witte jas. De hiërarchie was
duidelijk. Het doel, onderaan beginnen en jezelf over jaren en jaren naar boven
werken totdat je ook een witte jas aan mocht.
Het was een enorme fabriekshal
bezaaid met monsterlijke machines die allemaal een enorm lawaai maakte en boven
dit alles deden de Arbeidsvitamine via de her en der opgehangen luidsprekers,
hun uiterste best om Connie Francis, Mantovani, Cliff Richard en andere
arbeidsvreugde brengende artiesten, de dagen dragelijker te maken. Roken
in de fabriekshal mocht niet, dit werd gedaan op het toilet waar ploegjes
mannen elk anderhalf uur hun sjekkie gingen roken, intussen het voetballen van
het afgelopen weekend doornamen en naarmate de week vorderden en het voetballen
naar de achtergrond verdween, een ander belangrijk onderwerp onder de loep
namen; Vrouwen. Echt goeie seksuele
voorlichting had ik thuis nooit gehad, hier liep ik deze leemte snel in, alleen met een misschien wat vertekend beeld over het
welzijn tussen man en vrouw tijdens de geslachtsgemeenschap.
Drukkerij Reclame was voor mij een
regelrechte hel. Ik snapte niets van alle procedures die er doorlopen werden om
een pakkie Blue Band ook op een pakkie Blue Band te laten lijken, zoals in de
winkel. En van het werkend volk begreep ik al helemaal niks. Het was voor mij
niks bijzonders dat wij in een eigen huis woonden en evenmin dat wij een boot
hadden. Al gauw kwam de vraag waarom ik eigenlijk werkte, want zo te horen kwam
ik uit een schatrijk gezin. Waarom vonden die lui het nou zo bijzonder wat ik
mij liet ontvallen, en kwam hierop zo’n jaloerse reactie.
Op die lamineer afdeling hield ik het
dan ook niet lang uit en goddank had de in witte jas gestoken chef dit ook door
en zag dat ik daar niet bepaald thuis hoorde zodat het hem een goed idee leek
mij over te plaatsen naar de handzetterij. Een totaal andere wereld waar zo’n
veertien man werkten, ieder achter een letterbak met een zethaak in de hand en
maar regels makend, afgelezen van een vel papier. Het enige machinegedeelte zat
in een geluiddicht hok en men noemde dit de monotype. Hier zat een man de hele
dag op een toetsenbord te rammelen, hing er een staaf lood in een kokendheet
bad en vanuit dit gesmolten lood werden letters gevormd die netjes in de juiste
volgorde op een plateau terecht kwamen. Als tegengif tegen al dat lood wat er
door de hele zetterij zo in de ruimte hing, kregen wij elke dag een halve liter
melk. Gratis en voor niks.
Op de zetterij was geen herrie, een
kleine transistor zorgde voor de arbeidsvitamine en de mensen die er werkten
spraken zelden of nooit. Van het ene in het andere uiterste. De leeftijden
varieerden tussen bijna dood tot jonge hond, al leken die jonge honden ook
bijna dood want ook zij deden geen mond open. Leuk beroep, dacht ik. Nee,
precies wat ik mijn verdere leven wil doen, handzetter! Nou, die kans kreeg ik
ook niet want de bond eiste een test om te zien of je wel geschikt was, en tot
mijn opluchting werd ik afgekeurd. Maar ontslaan doet een bedrijf als Unilever
je niet zomaar, er bleek nog wel een ander plekje. Het magazijn. Ook hier lagen
mijn talenten niet, zoals ik al snel merkte en ik smeekte mijn moeder of ik
ontslag mocht nemen.
Met een zucht van verlichting werd ik
werkloos want zomaar ergens anders een baantje vinden was niet zo makkelijk, en
trouwens ik had geen idee wat dat dan moest zijn. Liever, veel liever sleet ik
mijn tijd op mijn inmiddels verworven kleine BM aan de Bergse plas. Via enig
gemanipuleer had ik het ding mijn broers ontfutseld omdat zij er maar weinig
belangstelling voor toonde terwijl ik gek was op het water en het er op varen. Terecht
vond mijn moeder dan ook dat ik het bootje ging gebruiken, want anders was het
zonde. Dus tikte ik ’s morgens tegen de barometer, zag dat de zwarte wijzer nauwelijks
van zijn plaats kwam, en vertrok als werkloze op de fiets, niet naar dat
vreselijke Rotterdam Zuid, maar naar Hillegersberg, de Bergse plas, naar de
werf van Breekweg waar het scheepje lag afgemeerd aan een steiger. Hier op de
plas kon ik mij meten met de jeugd uit de happy few. Zij voeren dan weliswaar in
Pluisjes rond, dure kleine plakhouten bootjes, en hadden vrij van het
Gymnasium of Lyceum waar zij op zaten. Of ik ook vrij had van school, wist ik
te omzeilen met antwoorden dat ik in een overbruggingsjaar zat, of dat wij net
terug waren uit het buitenland en er nog geen plek voor mij was op bijvoorbeeld
de academie, wat mij wel een aardige school leek met veel vrijheid. Wat betreft
onze terugkeer uit het buitenland varieerde ik nog al eens wat betreft welk
buitenland. Het meest populair vond ik op een gegeven moment Hongarije omdat er
bij ons thuis vaak zigeuner muziek werd opgezet van Django Reinhardt en Stéphane Grappelli.
Aan het eind van de zomer, toen het
zwarte wijzertje van de barometer steeds maar naar beneden ging, vond mijn
moeder het welletjes, ging op pad en vond alweer een baantje voor mij. Weer bij
een drukkerij, vlak bij ons in de buurt. Een familiebedrijf gespecialiseerd in
het drukken verlovings, trouw –en rouwkaarten en die konden nog wel een jonge
enthousiaste leerling handzetter gebruiken. Kortom, iemand die koffie zetten,
de vloer aanveegden, de verlovings, trouw –en rouwkaarten netjes inpakten, en
deze als klap op de vuurpijl op zijn eigen fiets bezorgden bij de klant. Een
zeer geschikte baan met voldoende carrière mogelijkheden, vond mijn moeder. Voor
de tweede keer had de hel zich voor mij geopend, ook al was deze iets minder
vreselijk dan die eerste, of ik was al gehard.
Er deed zich in die eerste maanden
een verzachtende omstandigheid voor. Een verzachtende omstandigheid waar iedere
man intrapt. Het wordt liefde genoemd. Een grote leugenachtige samenvatting van
iets wat je je hele verdere leven lang blijft achtervolgen. Waarom!? Omdat de
natuur dat zo bepaald en wij nou eenmaal een belangrijk stukje natuur zijn waar
maar moeilijk, zo niet, tegen te vechten valt.
Maar daar was zij. Een jaartje
jonger, dun als een spicht, knap gezichtje, grote prachtige ogen en een
buitengewoon lieve uitstraling. Daar was mijn troost. Mij zomaar inhalend op
haar fiets wat ik mij niet kon laten welgevallen, in de pedalen ging hangen en
haar roetsj inhaalde, naast haar bleef rijden en een bekeuring gaf voor het
overtreden van de maximum snelheid. Wat de bekeuring inhield? Een afspraakje.
Avondje naar de bioscoop. Bij God als ik weet welke film wij zagen, maar ik
herinner mij wel de eerste kus in het half duister van de bioscoopzaal.
Trillend over mijn hele lijf. Het zwarte wijzertje van mijn persoonlijke
barometer maakte een grote sprong naar boven.
Wordt vervolgd
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:
Een reactie posten