“Osteoporosis” las ik als titel op een uitgevouwen brochure die op de muur was geprikt in de wachtkamer van mijn Uroloog met wie ik een afspraak had om een afspraak te maken voor een zogenaamde drainwissel, oftewel PCN, in mijn linker nier. Een tweemaandelijks circus waar je de lol maar van in moet zien, want anders kan het leiden tot levensmoeheid, wat zo’n operatieassistente best begrijpt door mijn hand vast te houden tijdens de ingreep, en met dit simpele feit mijn drang om het toch nog maar even vol te houden versterkt.
Op de brochure was te zien hoe het proces van “Osteoporosis” verloopt. Als voorbeeld heeft men een vrouw gekozen van Thaise orgine
die op jonge leeftijd nog gewoon rechtop staat, maar naarmate haar leeftijd
vordert een steeds meer gebogen houding aanneemt. De oorzaak van deze
aandoening ligt niet in het jarenlang gebukt staan en rijstplantjes in de grond
stoppen, of een onderdanige houding veinzend, neen, je moet er maar aanleg voor
hebben en deze met nog een aantal factoren weten te combineren. Zo begrijp ik
het tenminste uit de in het Engels geplaatste tekst bij de plaatjes. Of er wat
aan te doen is? Ja, vooral rechtop blijven staan. Hoe simpel kan de medische
wetenschap toch zijn.
“Osteoporosis” dacht ik toen ik de moeder van mijn speeltje
aan de hand van haar man naar buiten zag strompelen. Opgehaald en overgevlogen
uit Ubon Ratchathani om een week lang haar dochter in Chiang Mai te bezoeken.
Vanaf haar heupen kantelde zij welhaast voorover en als zij het hoofd naar beneden
had gehouden dan zou haar neus over de bestrating slepen. Maar zij hield het
hoofd rechtop en ik keek in twee grijsbruine ogen die een felheid vertoonde
welke mij een moment het gevoel gaf dat ik werd doorgrond en afgerekend op mijn
daden en nu wel snel in het hellevuur ten onder zou gaan. Toen haar bekend werd
dat ik slechts daar stond om haar en haar gevolg in mijn limousine naar het
schamele onderkomen van haar dochter te brengen, veranderde haar blik in een
zachte uitdrukking. Een farang die zich ten diensten stelt van een oude
breekbare vrouw van het platteland uit de Isaan, moet een goed hart hebben. Dit
vermoedelijke waandenkbeeld liet ik voor haar rekening, bracht het gezelschap
naar het onderkomen, nam na deze goede daad afscheid met een Wai en
keerde terug naar mijn westers georiƫnteerde appartement. Maar die ogen bleven
mij volgen.
Met mijn dagelijkse doodsverachting steek ik de Thanon Charoen Mueang
over en bereik ongedeerd de “Maya”. De goed een jaar oude
shopping mall is een kwaliteitswinkelcentrum, of heeft althans deze pretentie
wat overigens niet aan het personeel ligt dat er werkt, of liever gezegd bezig
is hun Facebook pagina’s te bekijken. Nog voor het tijdperk van de mobiele
telefoon met internet, moest je de verkopers(sters) als wespen van je afslaan,
tegenwoordig moet je ze vanachter hun mobieltje vandaan slepen als je iets
wilt. Het is dan ook niet zo dat ik de “Maya” bezoek om er te winkelen, maar
meer om er iets te eten. En dit kan er goed. Een noedel soep met visballetjes
voor veertig baht met het idee dat je iets heel gezonds doet, bijvoorbeeld. En
dan is het nog zo dat ik niet eens in staat ben om de kom tot het laatste noedel’tje
naar binnen te slurpen, want opa’s maag lijdt geloof ik aan verkleining, terug
te zien op de weegschaal waarop nog maar nauwelijks de vierenzeventig kilo
wordt aangegeven.
Ik bereik zonder kleerscheuren de “Maya”, betreed de koele
ruimte, neem direct de roltrap naar beneden waar de Thais georiƫnteerde
eetstalletjes zich bevinden, bestel mijn noedel soep en kijk, terwijl deze
bereidt wordt, rond naar een plekje aan de verschillende barretjes waar ik de
soep kan nuttigen. Hierbij is niet alleen het plekje van belang, maar ook naast
wie. Een farang? Nee, mijden. Een slurpende Thai, of erger, Koreaanse of
Chinese toerist? Ook niet. Daar, een leuke jonge meid. Ziet er goed uit.
Studente waarschijnlijk want de universiteit ligt welhaast op loopafstand. Naast
haar neem ik plaats, mijn kommetje soep tussen twee duimen en wijsvingers goed
vasthoudend en voor mij zettend op de bar. Een ogenblik kijkt mijn studente op
van haar mobieltje, want eten zonder sociale media is schier onmogelijk, en ik
knik haar toe.
‘Sa Bai Dee Mai,’ vraag ik vriendelijk. ‘A-Roi’, voeg ik er
nog aan toe wijzend op haar bordje met onbeduidende groentes en stukjes vlees.
‘I’m fine, thank you,’ zegt zij in perfect Engels, wat wil
zeggen, verstaanbaar.
Kijk, en dat heb ik nou vaker, ineens weet ik niks meer te
zeggen. Hoe graag ik ook zou willen, een gesprekje, samen een kopje koffie na
de maaltijd, misschien hierna nog wat drinken in een barretje, wil je graag
mijn condo zien . . . niks. Ik klap dicht als een lotusbloem. Mijn fantasie
lijdt als bij toverslag aan “Osteoporosis” en laat het kopje hangen. Voorover
gebogen roer ik maar wat in mijn kommetje soep met de twee stokjes om daarmee
de visballetjes en de noedel er uit te hengelen.
‘Zit niet met je eten te spelen,’ hoor ik mijn moeder
zeggen. Zij zit recht tegenover mij, ik kijk op en zie twee felle grijze ogen
die mij strak aankijken. Zij doorboord mij. Hoe oud ben ik. Veertien, vijftien,
zestien. Ik ben een beginnende puber, een lastige klant, een Enfant Terribele.
Ik heb mijn idool uitgekozen, hem zal ik volgen. Hij vertegenwoordigd mijn
drang om te ontsnappen uit een burgerlijk “zo hoort het” maatschappij. De pers
noemt hem alleen bij zijn achternaam. Goed zo. Zo moet het. De pers bevestigt
dat het om een gevaar gaat voor de opgroeiende jeugd in de jaren zestig. Wat is
zijn haar lang. Zijn blik brutaal en cynisch als hij in de camera kijkt. Mijn
held.
Ik draai mijn stokjes rond in de noedel soep, zie de felle
ogen van mijn moeder, de felle ogen van de oude vrouw die haar hoofd oprichtte
om mij te bekijken. Ik zie hoe haar blik verzachtte toen zij begreep wie ik
was, wat ik kwam doen. Mijn moeders ogen deden hetzelfde toen zij begreep wie
ik niet was, wat ik deed. Mijn held wilde volgen, tegendraads zijn, mijzelf
wilde vinden via allerlei omwegen. Als er een God bestaat dan is het een
moeder, bedenk ik. Als God liefde is en liefde is vergiffenis en mededogen, dan
moet God een moeder zijn. Een vrouw dus. Ik keer mij alsnog naar de studente
naast mij en weet wat ik zeggen moet: ‘God, wat ben je mooi.’
