zaterdag 18 april 2015

Dead end street



‘Zaterdag? Eens even kijken, mmm, nee meneer dat zal niet lukken. Helemaal vol. Eens even kijken hoor . . . ja ik geloof dat ik hier wat heb. Dinsdag. Schikt u dat?’ Haar antwoord klinkt als een engel die mij de blijde boodschap verkondigd. Nog blijer zou ik geweest zijn als het zaterdag al kon, maar het alternatief van drie dagen later accepteer ik met bijna hetzelfde gevoel van geluk.


‘U heeft mij uitstekend geholpen mevrouw. Buitengewoon,’ overdrijf ik. In mijn complimenten naar haar liggen mijn frustraties en angsten dat dienstverlening hier in Nederland nogal lijdt aan inflatie en je flink door moet zeuren om datgene gedaan te krijgen waarvoor je betaalt. Aan de andere kant van de lijn hoor ik een dankbare lach van iemand die het bepaald niet meer gewend is een compliment te krijgen. ‘O, nou meneer, graag gedaan hoor,’ antwoord zij. ‘Als u mij vrijdagmiddag terugbelt -ik geef u even mijn naam, daar vraagt u maar naar- maak ik het verder in orde.’ Ik krijg haar naam. Daar moet ik maar naar vragen. Dan gaat zij het voor mij regelen. Dan gaat zij mijn vervroegde terugkeer naar Thailand organiseren. Kosteloos, zei zij er nog bij. Nooit meer zal ik nog een andere maatschappij zoeken die de bijna tienduizend kilometer in ruim elf uur overbrugd en ben en blijf ik de dankbare klant van EVA Airways.

Vrijdagmiddag dus. Dan weet ik het. Dan heb ik mijn bezoek gedaan. Dan heeft de specialist mij verteld hoe ik er voor sta. Weer een half jaar vrij van onderzoeken en eventuele behandelingen, hoop en bid ik. Dan hoef ik mij voor zes maanden geen zwerver meer te voelen, maar een bewoner van een condo in het centrum van Chiang Mai gesitueerd in de wat betere buurt waar je slechts de straat over hoeft te steken om de Nimmanhaemin te bereiken. Soi 1. Mix, het fusion restaurant waar je Canard Orange kunt eten als een welkom alternatief op Khaow Phad Kai.  Foi Gras, als alternatief op Piek Kai Thom Nad-Plaa. Een goed glas bourdaux als alternatief op een Leo of Shinga. En een rekening van 1000 baht als alternatief op een 200 bath kostende Thaise maaltijd.

De witte jas verschijnt in de deuropening. Lang is hij, mijn specialist die mij het goede nieuws gaat vertellen. Hij roept mij binnen. Met een zekere tred betreed ik zijn kamer, de specialist biedt mij een stoel aan, ik neem plaats. Hij glimlacht naar mij. En in de glimlach zie ik het. Mijn bloeddruk stijgt. Mijn hoofd kleurt rood. Ik krijg het warm en koud tegelijk. Het is mis, schiet het door mij heen. Het is mis, weet ik zeker. In een splitsecond zie ik al mijn plannen in deugen vallen. Nog voordat de specialist een woord heeft gezegd. ‘Er is groei en er zijn nieuwe haarden te zien.’  Stop maar denk ik. Ik weet genoeg. Na tien jaar respijt is het op. De mens wikt, God beschikt. Mijn onderbewustzijn heeft het allemaal allang aangekondigd. Heeft al mijn handelingen gestuurd hoe min en verachtelijk ze ook leken, zij hebben in het voordeel gewerkt van degene die ik lief had. Uiteindelijk.

Met dokter maak ik afspraken over het nog te volgen behandeltraject. Eerst maar eens terug naar Chiang Mai. Voor vier weken. Troost zoekend in de armen van mijn speeltje die ik alles kan vertellen omdat zij vertrouwd is met de dood en dit beschouwd als de grote bevrijding uit dit ondermaanse. Zij zal mij liefhebben onderwijl uitkijkend naar wat ik na mijn dood voor haar achterlaat uitgedrukt in een fors aantal baht’s. Misschien kan zij dan eindelijk dat huis laten bouwen waarvoor zij al een stuk grond heeft gekocht, betaald door mijn voorganger die ook het tijdelijke heeft verruild voor het eeuwige. Van mij mag zij alles hebben.


Vier weken terug, mij laten wiegend in de armen van Siam. Tien jaar eerder deed ik hetzelfde en overleefde tien jaar met dezelfde aandoening. Nog eens tien jaar zal ik zeker niet meer krijgen. Een jaar, twee jaar, of maanden. Daar lijkt het meer op. Precies tien jaar na het grote drama, overkomt mij weer een drama wat nu alleen mij betreft. Niks drama, houd ik mijzelf voor. Niets is oneindig. Ook de dood niet? vraag ik mij af.