Langzaam word ik mij bewust dat ik omhoog zweef uit een peilloze diepte. Droomloos, gedachteloos. Voorzichtig open ik mijn ogen, neem waar dat het nog geen dag is en het duister mij omringt wat mij tegenvalt want liever word ik wakker als het daglicht mij verwelkomt, de zon al op is. De lichtgevende wijzers van mijn horloge zeggen zes uur. Vier, vijf seconden duurt het dat mijn teruggekeerde bewustzijn schoon is, geen herinneringen heeft. De herinneringen komen terug als ik mijn ogen werkelijk open doe, en mijn lichaam vraagt om actie. Daar zijn ze weer. De beelden. De herinneringen. Onmiddellijk krijgt de nog jonge dag zijn loodzware betekenis met de opdracht de herinneringen in hun juiste perspectief te plaatsen.
Tien jaar achtervolgd door een nachtmerrie,
zich ontwikkelend als een dagmerrie die altijd latent aanwezig is. Een
intensive care. Draden, slangen, een monitor. Een repatriëring, een thuiskomst,
een vijandige familie. Jouw schuld.
Een man op een stalen stoel, zittend naast mij
op een dun kussentje. Hij oogt nerveus. Zijn handen trillen. Mijn vrouw zit
tegenover ons. Zij ziet er aftobt uit. Jouw schuld. Jij, jij, jij.
‘Wij gaan nu samen,’ zegt de man. Hij wijst
naar mijn vrouw. Zij beaamt met tranen in haar ogen. Zij legt aan en schiet
haar verwijtenstroom andermaal in mijn richting. Ik zwijg.
Wat kan ik nog zeggen, wat kan ik nog doen.
Verder vluchten kan niet meer. De race met mijn enige echte vrouw is gelopen.
Tien jaar coma, zware hersenbeschadiging. Wat kan ik nog doen, tien jaar kanker
in mijn lijf met het wonder nog tot de levende te behoren. Levend en wel
zoekend naar levensgeluk.
Op de vlucht, terug naar Thailand. Daar waar
mensen nog een medelevende ziel hebben, dacht ik. Terug, direct gevangen in de
armen van een hoer. Terug, overgenomen door wat later in mijn ogen mijn vrouw
werd. Terug, om het Thais vrouwelijk volkseigen te leren kennen. Het is
godverdomme toch ook niet verwonderlijk dat veel van die Thaise mannen allemaal
zo indolent zijn als de pest, dacht ik vaak. Vrouwenemancipatie!? Hier, in
Thailand!?
Zij begreep het niet. Een man die niet om
verzorging vraagt maar om een evenknie. Ik begreep het niet, die andere
cultuur. Ik dacht te begrijpen dat mijn oude afgetobde leven nieuw leven
ingeblazen kon worden in deze onuitputtelijke koekjestrommel. Na jaren. Jaren
van gewoon verder leven alsof er niets aan de hand was. Geen kanker, geen vrouw
in een eindeloos coma met zware hersenbeschadiging. Ik begon te begrijpen dat als
ik nog leefde, dit leven meer verdiende. Niet een indolent zichzelf alles
aanleunend slaafje van “Moeders wil is wet.”
En daar was zij. Strak, jong, ondeugend,
speels, verleidelijk. Eén uit de koekjestrommel.
Vers, knapperig met de smaak die het gevoel van verslaving in zich draagt. Nicotine,
heroïne. “Sex & Drugs & Rock and Roll” De laatste ademtocht? Mijn
wakker geworden brein, vier, vijf seconden na de verrijzenis uit een droomloze
slaap, zegt het mij. De laatste ademtocht. Zij die zich aan mij hechtte, heeft
afscheid genomen. Er zal geen eindeloos verdriet meer zijn. Mijn daden waren
onbewust nobel.
Ik wil niet meer hechten. Ik wil niet dat er
nog iemand is die zich aan mij hecht. Ik zoek de droomloze eeuwige slaap.