woensdag 25 februari 2015

Sex&Drugs&Rock and Roll

Langzaam word ik mij bewust dat ik omhoog zweef uit een peilloze diepte. Droomloos, gedachteloos. Voorzichtig open ik mijn ogen, neem waar dat het nog geen dag is en het duister mij omringt wat mij tegenvalt want liever word ik wakker als het daglicht mij verwelkomt, de zon al op is. De lichtgevende wijzers van mijn horloge zeggen zes uur. Vier, vijf seconden duurt het dat mijn teruggekeerde bewustzijn schoon is, geen herinneringen heeft. De herinneringen komen terug als ik mijn ogen werkelijk open doe, en mijn lichaam vraagt om actie. Daar zijn ze weer. De beelden. De herinneringen. Onmiddellijk krijgt de nog jonge dag zijn loodzware betekenis met de opdracht de herinneringen in hun juiste perspectief te plaatsen.


Tien jaar achtervolgd door een nachtmerrie, zich ontwikkelend als een dagmerrie die altijd latent aanwezig is. Een intensive care. Draden, slangen, een monitor. Een repatriëring, een thuiskomst, een vijandige familie. Jouw schuld.

Een man op een stalen stoel, zittend naast mij op een dun kussentje. Hij oogt nerveus. Zijn handen trillen. Mijn vrouw zit tegenover ons. Zij ziet er aftobt uit. Jouw schuld. Jij, jij, jij.
‘Wij gaan nu samen,’ zegt de man. Hij wijst naar mijn vrouw. Zij beaamt met tranen in haar ogen. Zij legt aan en schiet haar verwijtenstroom andermaal in mijn richting. Ik zwijg.

Wat kan ik nog zeggen, wat kan ik nog doen. Verder vluchten kan niet meer. De race met mijn enige echte vrouw is gelopen. Tien jaar coma, zware hersenbeschadiging. Wat kan ik nog doen, tien jaar kanker in mijn lijf met het wonder nog tot de levende te behoren. Levend en wel zoekend naar levensgeluk.

Op de vlucht, terug naar Thailand. Daar waar mensen nog een medelevende ziel hebben, dacht ik. Terug, direct gevangen in de armen van een hoer. Terug, overgenomen door wat later in mijn ogen mijn vrouw werd. Terug, om het Thais vrouwelijk volkseigen te leren kennen. Het is godverdomme toch ook niet verwonderlijk dat veel van die Thaise mannen allemaal zo indolent zijn als de pest, dacht ik vaak. Vrouwenemancipatie!? Hier, in Thailand!?

Zij begreep het niet. Een man die niet om verzorging vraagt maar om een evenknie. Ik begreep het niet, die andere cultuur. Ik dacht te begrijpen dat mijn oude afgetobde leven nieuw leven ingeblazen kon worden in deze onuitputtelijke koekjestrommel. Na jaren. Jaren van gewoon verder leven alsof er niets aan de hand was. Geen kanker, geen vrouw in een eindeloos coma met zware hersenbeschadiging. Ik begon te begrijpen dat als ik nog leefde, dit leven meer verdiende. Niet een indolent zichzelf alles aanleunend slaafje van “Moeders wil is wet.”

En daar was zij. Strak, jong, ondeugend, speels, verleidelijk. Eén uit de koekjestrommel. Vers, knapperig met de smaak die het gevoel van verslaving in zich draagt. Nicotine, heroïne. “Sex & Drugs & Rock and Roll” De laatste ademtocht? Mijn wakker geworden brein, vier, vijf seconden na de verrijzenis uit een droomloze slaap, zegt het mij. De laatste ademtocht. Zij die zich aan mij hechtte, heeft afscheid genomen. Er zal geen eindeloos verdriet meer zijn. Mijn daden waren onbewust nobel.

Ik wil niet meer hechten. Ik wil niet dat er nog iemand is die zich aan mij hecht. Ik zoek de droomloze eeuwige slaap.   


Geen opmerkingen:

Een reactie posten