zaterdag 28 november 2015

Baby, you’re a Rich Man





De huwelijksplechtigheid vond plaats in de tuin van het “Rati Lanna hotel” en was door een fantasierijke architect onderhanden genomen zodat het Efteling gehalte naar een nog hoger plan werd getild. En dit was terecht want een huwelijk is niet zomaar iets, maar een verbintenis die buiten de zakelijke aspecten om iets weg heeft van een sprookje.


“Twee mensen die zich voor altijd aan elkaar verbinden tot de dood hen scheidt”.
Hoe romantisch. En wat het nog romantischer maakte, in dit geval dan, dat het scheiden door de dood niet eens zo gek lang hoefde te duren want de bruidegom was zevenentachtig en zijn bruid zevenendertig jaar jonger zodat de eerste huwelijksnacht al gezien moest worden als een buitengewoon riskante onderneming.

De bruidegom had natuurlijk makkelijk een nog veel jongere vrouw tot zijn echtgenote kunnen nemen, wat viel af te lezen op de gezichten van het aantal jonge Thaise vrouwelijke gasten die met ietwat jaloerse blikken de bruid bekeken met de onderliggende gedachte dat zij wel de buit binnen had terwijl zij nu slechts gasten waren. Maar hij had op zijn leeftijd al genoeg gezien en meegemaakt om te weten dat het huwelijksgeluk met een nog veel jongere vrouw misschien wel al te duidelijk op zijn vermogen was gebaseerd.

Er waren naast alle Thaise vrienden en familieleden ook Farangs uitgenodigd die bijna allemaal de Duitse nationaliteit hadden en net als de bruidegom nu, getrouwd waren met een Thaise vrouw. Strak in het vel zittende schoonheidskoninginnetjes en minimaal dertig jaar jonger dan hun echtgenoten, die overigens zelf nog zo’n twintig jaar onderdeden tot het feestvarken.

De kersverse bruid en de al jaren met Farangs getrouwde vrouwen stralen van geluk nu zij het leven hebben gekregen dat zij zich wensten gebaseerd op de verzekering dat hun in de toekomst financieel gezien niets meer kan gebeuren. En hiermee zijn zij het voorbeeld voor velen die de Farang zien als het redmiddel uit hun vaak miserabele bestaan met een weinig florissante toekomst. Hoe Thaise vrouwen ooit zover gekomen zijn om zielsverwantschap te zoeken met een man uit een totaal andere cultuur en die in jaren best hun vader of zelfs opa had kunnen zijn, ligt waarschijnlijk in het feit dat de Farang man in vergelijk met een Thaise man een totaal andere morele eigenschap bezit welke gebaseerd is op het Calvinisme. Huwelijkse trouw staat voorop, zorgzaamheid als het gaat om financiële zaken is een bijna net zo’n belangrijk gegeven en . . . hij blijkt een romanticus.

‘Farangs zijn zo romantisch’, zegt Kai enkele dagen na het huwelijksfeest van haar vriendin. Zij schenkt zichzelf nog een glas rode wijn in wat haar lippen losmaakt en zij prettig vindt want dan heeft zij eindelijk geen gêne meer om het Engels te hanteren. Ik zit bij haar op het terras van haar huis wat duidelijk is ontworpen en gebouwd door een westerling gezien de grootte van de woonkamer en de indeling. Haar huis is smaakvol ingericht. Een antieke kast, marmeren vloer met hier en daar een tapijt, een echt bankstel, een boekenkast, salontafeltje . . . ongewoon voor een Thais interieur waarvan het huis zich bevindt tussen de boerengemeenschap even buiten Meo Jo.

Ik heb spaghetti bij haar gegeten die niet onderdeed voor wat je in een Italiaans restaurant voorgeschoteld krijgt en er wijn bij gedronken uit een kartonnen doos waarvan de inhoud absoluut leeg moet wat wij zittend op het terras aan het proberen zijn. 
‘En wat maakt Farangs zo romantisch’, is mijn vraag want in mijn opinie kunnen dat misschien onze zuid-Europese medebroeders zijn, maar in een Hollander of Duitser zie ik niet zo snel een romanticus.
‘Farangs zijn lief’, antwoord zij eenvoudig. ‘Zij draaien zich niet onverschillig om als je gevreeën hebt, maar hebben dan nog steeds aandacht voor je. Dat is bij een Thaise man anders. Zij hebben alleen maar aandacht als zij iets van je willen, daarna is het afgelopen. Voel je je een wegwerpmiddel.’

Ik kan mij er nauwelijks iets bij voorstellen dat zij ooit behandeld is als een wegwerpmiddel. Zij is ronduit knap. Een schoonheid zo te zeggen. Ik kan mij voorstellen dat haar vijfendertig jaar oudere man haar niet als een wegwerpmiddel beschouwt, alhoewel er toch iets niet in orde is. Wat zij haar man noemt is een met een andere Thaise vrouw getrouwde Europeaan. Zij is niets meer dan zijn Mia Noi, zijn bijvrouw. Misschien dat hij daarom zoveel aandacht voor haar op kan brengen als hij bij haar is. Hij woont niet samen met haar, heeft slechts een huis voor haar laten bouwen waar zij naar Thaise maatstaven luxueus kan wonen. Hij komt langs wanneer hij zin heeft. En wanneer hij zin heeft is hij de romanticus. Zij hoeft zich ook geen zorgen te maken over geld. Hij regelt het.

Tja, romantisch. Ik vraag mij af of zij meerdere ervaringen heeft met Farangs en hun romantiek. Ik durf het niet aan haarzelf te vragen want ik weet hoe pijnlijk het soms kan zijn voor een jonge Thaise vrouw om over haar verleden te praten. Thaise vrouwen delen niet graag hun verleden zoals zij dit gehad hebben. En al helemaal niet als zij net als die duizenden anderen ook in massagesalons hebben gewerkt, hotelkamers hebben bezocht of gewoon als bargirl in Pattaya of noem nog eens zo’n stad waar het leven zich op de rand van het suïcidale afspeelt. Zou de blanke echtgenoot het verleden van zijn soulmate kennen? Zou zij het hem ooit verteld hebben? Of hangt dat rookgordijn er nog steeds om de zielsverwantschap niet te verstoren. Zou hij zijn mond er over houden en nooit vragen stellen omdat het hoe dan ook te pijnlijk is om er over te praten? Te pijnlijk om te vertellen dat je als wegwerpmiddel bent behandelt door je Thaise man die het na een paar jaar wel gezien had en je achter liet met een paar kinderen zonder zelf nog enige verantwoordelijkheid te dragen. Te pijnlijk om te vertellen dat je volkomen tegen je eigen cultuur in jezelf verkocht hebt voor de broodnodige Baht’s om een hele familie te laten overleven.

‘Weet zijn vrouw van je bestaan’, vraag ik.
‘Ja hoor’, antwoord zij. ‘Maar zij wil niet van hem scheiden. Zij is al oud. Zevenenveertig. Zij maak geen enkele kans meer als zij gescheiden zouden zijn’.
‘Zou jij het willen, dat hij ging scheiden en voor altijd bij jou kwam wonen’, vraag ik door.
Zij moet er erg over nadenken alsof zij voor zichzelf voor het eerst die vraag stelt.
‘Nee’, zegt zij uiteindelijk, ‘het is goed zo. Ik ben er al aan gewend een Mia Noi te zijn. En dat heeft veel voordelen. Veel vrijheid. En hij zorgt goed voor mij. En als hij hier is, dan is het romantisch, vol van liefde. Ik weet niet of dat zo zou blijven als hij altijd hier zou wonen.’ 

Maar wat zij zegt komt niet overtuigend over. Lichaamstaal zegt veel. Zou haar ideaal niet daar liggen waar elke Thaise vrouw, of misschien wel elke vrouw haar ideaalbeeld heeft. Huisje, boompje, beestje, een man die voor je zorgt, zijn hart en ziel daarin legt zodat je hem uiteindelijk kunt castreren en opeten. De natuur is nou eenmaal een merkwaardig iets. En er is veel natuur, hier in Thailand.  


donderdag 26 november 2015

Gimmie shelter



Via de zijspiegel van mijn auto zie ik haar staan. Net als ik geduldig wachtend, of toch misschien net als ik niet zo geduldig, zich ergerend aan het veel te lang op rood staande stoplicht terwijl er geen verkeer meer te zien is op het kruispunt. Ik kan er maar niet aan wennen, zeg regelmatig hardop hoe stompzinnig die stoplichten zijn afgesteld en dat zij de oorzaak vormen voor die eindeloze files hier in Chiang Mai.


Zij kijkt niet ongeduldig, valt mij op. Zij lacht. Haar vriendin die achter haar staat roept iets. Zij schatert nu. Aan het stuur van haar motobick heeft zij drie ballonnen gebonden, gevuld met gas want zij verkeren een halve meter boven haar. Het draadje doorknippen en de ballonnen zouden hoog de vrije lucht in verdwijnen, meegenomen door een zwakke wind.

Ik bestudeer haar. Zij draagt geen helm zodat ik kan zien dat zij haar zwarte haren heeft samen gebonden in een paardenstaart waarin een wit lint. Zij draagt ook een witte blouse en heeft een zwarte vlinderdas. Jarig? vraag ik mij af. Onderweg naar een restaurant om het te vieren? Hoe oud zou zij geworden zijn? Leeftijden schatten hier is moeilijk. Ik waag het erop. Tweeëntwintig. Als zij iets naar voren zou komen, ter hoogte van mij, zou ik het raampje open doen en het haar vragen. Happy Birthda, zou ik zeggen. En dan, How old are you now? Misschien twee antwoorden. Yes, it’s my birthday and I’m twenty two now. Dan heb ik het goed ingeschat. Bravo jongen. Hierna zou ik nog kunnen vragen waar zij naartoe gaat, misschien naar een restaurant om haar verjaardag te vieren . . . of. Ik krijg hier allemaal de kans niet voor. Zij is niet in staat om verder op te rukken naar de stopstreep en op die manier naast mij te komen. Wachten. 
Wachten totdat die domme tijdklok die het rode en groene licht aanstuurt zover is verandering toe te laten in de situatie.

Haar vriendin roept weer wat want weer zie ik haar breeduit lachen. Leuke kop heeft ze. Best ook wel een mooie vorm. Eigenlijk is zij gewoon knap. Een snoepie. Het maakt het wachten in mijn zijspiegel kijkend een stuk aangenamer. Het lijkt een beetje op die keer dat ik door overboeking op mijn vlucht van Bangkok naar Amsterdam first class werd geplaatst. Ik vond het bijna jammer toen we op Schiphol landden. Zoals ik het nu bijna jammer zou vinden als het licht op groen springt.

Het licht springt op groen. Het verkeer komt in beweging. Eerst al die motobicks die voor die twee rijen lange sliert auto’s hebben plaats genomen. Dan komt tergend langzaam de rest op gang. Ik ook en zie hoe zij met haar ballonnen aan het stuur mij rechts passeert, ruimte hebbend vol gas op het kruispunt afstuurt, op naar de party, het restaurant of wat dan ook, naar familie en vrienden, happy birthday to you. En dan knalt zij vol op een pick-up die van links uit de file komend heeft besloten rechtsaf te slaan. Ik zie haar over de laadbak heen vliegen alsof zij is gelanceerd. Ik zie de man in zijn pick-up zijn deur openen en opzij naar achteren kijken. Hij moet het wrak van een motobick zien liggen. Verkreukeld. Het moet hem opvallen dat er geen bestuurder te zien is. Hij twijfelt. Uitstappen of doorrijden. Ik zie het aan hem. Ik zie in een miniseconde dat hij alleen zijn eigen schade inschat wat herstelt en betaalt moet worden. 

Ik verlaat mijn auto, loop om de pick-up heen naar het meisje wat gelanceerd verderop op het asfalt ligt. Zij heeft schaafwonden. Op haar armen, haar benen, op haar hoofd. Het bloed. Dat mooie gladde lichtbruine huidje bloed. Haar vrolijke gezicht is vertrokken van pijn. Haar witte lint in het haar kleurt rood. Haar witte blouse eveneens. Ik buk naast haar. Probeer vast te stellen hoe ernstig het allemaal is. Andere mensen hebben nu ook naast haar plaats genomen en kijken op haar neer, vol belangstelling of zij dit gaat overleven. 

Hospital, roep ik. Police, roep ik ook. No, no, zegt de man van de pick-up die nu ook naast haar staat. No police. I pay, I pay. Maar het is al te laat voor hem. Iemand bij zijn positieve heeft zowel de politie als een ziekenhuis gebeld. In de verte horen we de sirenes. You go, you go, zegt een man tegen mij. You farang. You big trouble. Why, wil ik hem vragen. You farang, you have big money, antwoord hij. Not that man, en hij wijst op de bestuurder van de pick-up. Stay in your car. Farang always stay in your car. Met tegenzin en met een hopeloos gevoel neem ik zijn raad aan. Loop weg van het meisje en neem plaats achter het stuur. Het liefst had ik haar direct op de achterbank vervoert naar een ziekenhuis. Met hierna waarschijnlijk een schuld aan mijn broek van honderdduizend baht. Wat zou het.

Aan de strak blauwe hemel zie ik drie witte ballonnen omhoog zweven. Happy Birthday. En sluit mijzelf op in mijn appartement. Denkend dat zij het niet overleeft.    


maandag 23 november 2015

Een tevreden roker is geen onrust stoker



Zo, dit zou dus vanaf nu elke dag moeten, dacht ik toen ik met mijn vaders Philishave de eerste voorzichtige stoppels op mijn wangen wegschoor. Achttien was ik toen ik het wel mooi vond, ontdekt dat scheren zeker vijf minuten langer in je bed blijven liggen koste en het verder een vorm van zelfkastijding was. Ik stopte ermee en heb sindsdien een baard die slechts om een tweewekelijkse onderhoudsbeurt vraagt.


Op wangen en kin blijft de groei zich in hetzelfde tempo handhaven en dit kon na mijn veertigste niet gezegd worden wat betreft mijn hoofdhaar. In rap tempo verdween het. Eerst op de kruin, hierna met een steeds hoger voorhoofd en uiteindelijk een nagenoeg kale kop. Een beetje zit ik er wel mee, maar op het moment dat ik in een Thaise kapperszaak hier in Chiang Mai wachtte op een vriend van mij die zijn stevige haarbos onderhanden liet nemen, bekroop mij een gevoel van opluchting. 

In totaal vier dames bekommerden zich om hem waarbij de eerste zijn haren waste, een half uurtje zo ongeveer, en waarbij hoofdmassage een onderdeel vormde tegelijk met een prettig gesprek in het Thai-Engels. Inhoudelijk het overbekende vraag en antwoord spelletje. Zij lachte vaak haar hagelwitte tanden bloot. Waarom weet ik niet precies want mijn vriend is bepaald niet een man die overloopt van humor maar meer de dagen aftelt naar het einde. Dus zal het lachen van haar gezocht moeten worden in haar gevoel voor commercie met het vooruitzicht op een dikke tip, of anders in haar boeddhistische achtergrond.

Na het half uur haar wassen en schedel kneden plus het prettig gesprek, mocht hij plaats nemen in een stoel met voor zich een grote spiegel waarin hij kon zien hoe een andere dame met schaar en kam zijn weelderige bos ging trimmen. Weer een prettig gesprek. Inhoudelijk ongeveer van hetzelfde niveau waarbij zij via de spiegel zijn gezichtsuitdrukking bekeek, wel of niet tevreden, wel of niet Sa Bai Sa Bai, Sanoek of andere wenselijkheden waardoor het leven een stuk aangenamer zijn verloop kan hebben.

Ondertussen zat een andere Farang, na de wasbeurt, in een andere stoel te wachten totdat hij aan de beurt was om geknipt te worden. Hij had inmiddels de hem twee gratis kopjes koffie geconsumeerd met het bijverschijnsel dat de cafeïne hem in staat van grote opwinding bracht. Niet over het best wel in aanzien waard zijnde legertje kapsters dat er zo rondliep, maar over het feit dat hij daar al zo lang zat zonder dat er verder iets gebeurde. Personeel genoeg, zou ik ook denken, maar elk personeelslid heeft zo zijn eigen taak en de enige die mocht knippen was met mijn vriend bezig. 

Uiteindelijk stond de man woedend op, liep luid fulminerend op de balie af en schold de leiding achter de kassa de huid vol waar de leiding niet koud of warm van werd en hem met een stralende glimlach bekeek als of ie een amoureus voorstel had gedaan. Of het mens achter de kassa had wel schik in seksuele intimidatie, of zij hield zich strikt aan het Thais volkseigen; altijd vriendelijk blijven lachen, dan komt het vanzelf wel goed. 

Dus greep ik maar in, stapte op de man af en wees hem er uiterst voorzichtig op dat ie in Thailand was, dat tijd hier een zeer relatief begrip is, het jezelf eigen moet maken een eindeloos geduld te hebben en het levenstempo van de westerse wereld er de schuld van is dat wij niet bereid zijn een uurtje of wat bij de kapper door te brengen. Sa Bai Sa Bai. Ik bood hem een sigaret aan om samen buiten op het plein te genieten van de nicotine die we diep onze longen zouden inademen, hé hé zeggend, dat smaakt na twee koppen koffie. Hij rookte niet. Tja, ik had mijn best gedaan om hem te kalmeren, maar als je niet rookt, en daardoor, zoals de wetenschap beweert, je weelderige haarbos behoudt, is het tweemaal lijden.

De schoonheid die mijn vriend knipte had zich inmiddels door zijn oerwoud op het hoofd geworsteld en het resultaat mocht er wezen. Stukken jonger, en nou nog de mondhoeken omhoog. Zou ik wel gedaan hebben als ik nog haar had gehad want twee dames tegelijk begonnen het overgebleven haar te föhnen, ieder aan een kant. Ménage à trois, zogezegd. Voor veel mannen een ideaalbeeld, daarbij vergetend dat dit ook twee schoonmoeders oplevert, iets waar die Jihadisten nog geen seconde over nagedacht hebben als zij hun zeventig maagden claimen aan de hemelpoort. Het zal ze leren.

Maar goed, het opgewonden standje kon gaan zitten voor zijn knipbeurt en wij verlieten de zaak. Recht in de armen van mijn vriend z’n vriendin met gevulde plastic tasjes uit de Rimping. Zij wilde ook graag haar haar laten doen.  
‘Wij wachten hier wel bij die coffeshop,’ zei ik en stak een sigaret op bij mijn espresso. 
‘Wil je ook?’ vroeg ik hem het pakje Marlboro voor zijn neus houdend.

‘Ach nee, da’s waar, jij rookt niet,’ en keek naar zijn kort geknipte haren. Elke vier weken is ie aan de beurt. De mondhoeken naar beneden, ontevreden wachtend totdat het voorbij is. Ik niet. Ik heb geen haar. Ik rook.