zaterdag 3 oktober 2015

In My Life (1)




 There are places I remember







Boven in de gang op de eerste verdieping, hing een uit hout gesneden ornamentje met daarin een barometer. Direct vanuit het trapgat stond je met je neus voor dit luchtdrukmetertje die het dagelijks te verduren kreeg met een forse tik op het glazen ruitje om te zien of de zwarte wijzer een stukje naar boven of juist een stukje naar beneden ging. Naar boven werd gevolgd door de opdracht van mijn moeder lekker naar buiten te gaan want de weersverwachting was goed, naar beneden werd gevolgd door een hé, wat een tegenvaller betekende, en een sterke terugval van de wijzer, door Jezeem. Bij Jezeem diende we alle zeilen bij te zetten, of juist te reven, want er was storm op komst.
Mijn moeder was ons eigen KNMI gesteund door de barometer en zij gaf toen al code groen, oranje, geel of rood terwijl het KNMI slechts liet weten dat het ging regenen en/of er een harde wind zou staan, of dat het de hele dag zonnig en lekker warm weer zou worden.

Dit soort herinneringen komen altijd bovendrijven wanneer ik even in Holland ben, de buurt bezoek waar ik ben opgegroeid, de straat zie met de putdeksels die als doelpalen dienden.

Ik zie ze weer voetballen, de jongens in de straat. Die veilige straat zonder geparkeerde auto’s. Zie de buurvrouw die uit het raam hangt. De armen over elkaar geslagen waarop haar weelderige boezem steunde. Zij stond garant voor de veiligheid in de straat en hield alles in de gaten. Vooral haar dochtertje die verderop met een stuk krijt de stoep besmeurde als artistieke uiting van haar fantasiewereld dat verkeerde tussen jonge prinsen, sprookjesachtige kastelen, spoken en draken. Alle jongens in de straat hadden wel een oogje op haar, met haar lange blonde paardenstaart waarin zich altijd een vrolijk ogend kleurig lint bevond, alleen liep haar engelachtig uiterlijk niet synchroon met de werkelijkheid, het was een regelrechte kat.

De straat is nu veel smaller dan in mijn herinnering. Was het ooit een boulevard, nu slechts een straatje zoals er zoveel zijn in het oude noorden van Rotterdam. Maar de huizen aan weerszijde zijn hetzelfde gebleven. Daar woonde ik dus. Nummer 32. De statige mahoniehouten deur. De stoep met twee treden waarop wij onze vergaderingen deden, ’s avonds in het schemerdonker, fluisterend elkaar onze geheimen vertellend waarvan het merendeel bij elkaar gefantaseerd om toch vooral maar als leider van de groep over te komen. Een groepjes jongens nauwelijks in leeftijd verschillend.

Achter de mahoniehouten deur, de smalle gang waarin ’s avonds de fiets van mijn vader stond geparkeerd waardoor je je welhaast schrijlings moest bewegen om bij de trap met overloop te komen. Hier was een tochtdeur die niet alleen tocht tegen hield, maar ook stiekem geluid, naar ik hoopte tenminste toen ik eenmaal de leeftijd had bereikt er een vriendinnetje op na te houden. Een mooi plekje om te vrijen, tegen het frame van mijn vaders fiets. Zijn fiets maakte in die tijd misschien meer mee dan mijn vader zelf. Later, bij een ouwe jongens krentenbrood gesprek, bleek dat hij tijdens zijn verkering met mijn moeder allang ontdekt had hoe intiem zo’n gangetje naar de eerste treden van de overloop kan zijn, en dat de geluidsdichtheid van een tochtdeur nogal te wensen overlaat.

Toen wij allemaal wat ouder werden nam de zucht naar avontuur toe, verlieten soms de straat om de naastgelegen straten te bezoeken, en ontdekte een totaal andere wereld met totaal andere kinderen. Hier zou ik nooit willen wonen, verklaarden wij naar elkaar en wisten precies waar wij het over hadden. Een onverstaanbaar volkje jeugd leek zich in deze straten te hebben samengevoegd tot een kliek met een eigen gewoonte die ons volkomen vreemd was.
‘Het zijn mensen uit Zeeland,’ legde mijn moeder uit. ‘Van de watersnoodramp. Zij hebben niets meer. Geen huis, geen kleren, helemaal niets. En nu wonen zij zolang hier totdat zij weer terug kunnen.’
‘Gaan ze weer terug dan?’ was mijn logische vraag want wie wil er nou wonen op eilanden die zomaar onder water kunnen lopen. ‘Waarom blijven zij niet hier?’
‘Denk je dat die mensen dat willen,’ vroeg mijn moeder. ‘Zij zijn hier helemaal niet gewend en willen niks liever dan terug naar waar zij vandaan komen.’
Zo gaat dat met mensen die op de vlucht geslagen zijn. Of het nou door een watersnoodramp komt, of door oorlog; allemaal willen zij terug. Terug naar hun geboorteplaats.

Ik loop door de buurt waar ik vandaan kom. Mijn geboorteplaats. Ik ben in Rotterdam, waar ik ben opgegroeid. Waar ik op het puin van de stad heb gespeeld. Tussen de overblijfselen van de St. Laurenskerk. Op de plek waar eens de Delftsepoort had gestaan. De hele binnenstad een grote vlakte met hier en daar nog een stevig gebouw die het allemaal had overleefd, zoals het Stadhuis en het Postkantoor. En de oude Bijenkorf waar wij, de hele familie, een grammofoonplaat gingen kopen nadat wij deze eerst beluisterd hadden in een speciale geluiddichte kamer. Het moet rond Sinterklaas geweest zijn, want plotseling zat ik bij hem op schoot en mocht ik een liedje zingen. Dit weet ik omdat het verhaal hierover mij vele malen verteld is door mijn moeder. Dat ik zo schattig had gezongen en al het winkelend publiek stil was blijven staan, ademloos luisterend naar mijn heldere kinderstem. Alleen al door het verhaal schaamde ik mij kapot.

Schamen deed ik mij nog het meest om mijn broers. Deze vier jaar oudere tweeling had blijkbaar van mijn moeder de opdracht mee gekregen goed op hun kleine broertje te letten, en dit bleek een taak die hun op het lijf geschreven was. Dat hun oplettende taak een averechtse werking had en ik misschien hierdoor al jong een puberaal recalcitrante houding ontwikkelde, mag worden verondersteld. Goeie jongens hoor, mijn broers, maar waarom waren zij niet andermans broers. Van Pietje snot schuin aan de overkant van de straat, bijvoorbeeld. Hij dankte zijn bijnaam aan het onophoudelijk snotteren wat hij deed en waaraan geen einde leek te komen. Zakdoeken waren bij hem thuis waarschijnlijk een onbekend stukje textiel, en trouwens het textiel dat hij om zijn lichaam had hangen leek meer op jutezakken dan confectie en hij droeg een raar brilletje wat met plakband aan elkaar zat. Pietje snot had geen vriendjes, maar als ie wilde mocht ie mijn broers hebben. Of Pietje snot misschien ook uit Zeeland kwam, vroeg ik aan mijn moeder, maar die wist te vertellen dat niet alle mensen het even goed hadden. Zoals wij, benadrukte zij.

Wij waren niet arm. Waarom wij niet arm waren was niet zozeer te danken aan mijn vaders carrière in een moeizaam naoorlogs op gang komende economie, maar aan mijn grootvader. Hij had enkele jaren bij ons ingewoond nadat zijn vrouw plotseling door een hartfalen was overleden, of eigenlijk moet ik zeggen, wij trokken bij hem in om hem te verzorgen. Opa was nagenoeg blind. Toen ook hij overleed liet hij ons het huis na wat al van voor de eerste wereldoorlog in zijn bezit was. Een eigen huis bezitten was in die tijd bijzonder en het bespaarde een hoop geld op het inkomen van mijn vader. Hierdoor konden wij altijd net iets meer doen dan al onze buren, alleen paste wij wel op hiermee te koop te lopen. Wat wij ook hadden geërfd van grootvader, was de liefde voor het water. En deze liefde konden wij uiten door gebruik te maken van zijn motorboot waarmee wij soms tochtjes maakten naar de Rottemeren, daar meestal voor de boerderij van Jongeneel aan Oud Verlaat een stuk touw om een rietkraag wikkelde zo de boot verankerend voor de nacht want om op een dag op –en neer naar Rotterdam te varen was zonde van de tijd. ’s Nachts sliepen wij in de houten kajuit op de met kussens bekleedde banken onder een flinterdun dekentje met een jas opgerold als hoofdkussen onder je kop, welke je diende te houden als de petroleum lantaarn werd uitgedraaid en het daarna pikkedonker was.

Ik rijd in een huurauto langs de Rottemeren en probeer oude plekjes te ontdekken. Weg zijn zij. Er is een groot park ontstaan, aangelegd voor de recreanten uit de omliggende steden Rotterdam, Den Haag en Zoetermeer. Er zijn voorzieningen gemaakt voor sport- en spel. Een geciviliseerd natuurgebied met strakke fiets –en wandelpaden. Steigers voor bootjes waaraan zij kunnen aanleggen en zo de rietkragen niet beschadigen. Boerderijen zijn er niet meer. Geen hooischuren om in te spelen, geen koeien in de wei, geen enkele kans meer om melk te jatten uit gevulde melkbussen die wachten totdat zij werden opgehaald door vrachtwagens met daarop in grote letters “Menken”. Er staat een straffe noordwester over het meer en deze vormt witte schuimkoppen waarbij mijn moeder zeker uitgeroepen zou hebben: ‘Jezeem, moet je dat zien!’ Vervolgens zou zij zeker binnen in de kajuit van de boot op de barometer getikt hebben om te zien of er al een weersverbetering op komst was. Want wij moesten nog helemaal terugvaren naar Rotterdam.  

Wordt vervolgd



    


Geen opmerkingen:

Een reactie posten