
There are places I remember
Boven in de gang op de eerste verdieping, hing
een uit hout gesneden ornamentje met daarin een barometer. Direct vanuit het
trapgat stond je met je neus voor dit luchtdrukmetertje die het dagelijks te
verduren kreeg met een forse tik op het glazen ruitje om te zien of de zwarte
wijzer een stukje naar boven of juist een stukje naar beneden ging. Naar boven
werd gevolgd door de opdracht van mijn moeder lekker naar buiten te gaan want
de weersverwachting was goed, naar beneden werd gevolgd door een hé, wat een tegenvaller betekende, en een sterke terugval van de wijzer,
door Jezeem. Bij Jezeem diende we alle zeilen bij te zetten, of juist te reven,
want er was storm op komst.
Mijn moeder was ons eigen KNMI gesteund door
de barometer en zij gaf toen al code groen, oranje, geel of rood terwijl het
KNMI slechts liet weten dat het ging regenen en/of er een harde wind zou staan,
of dat het de hele dag zonnig en lekker warm weer zou worden.
Dit soort herinneringen komen altijd
bovendrijven wanneer ik even in Holland ben, de buurt bezoek waar ik ben
opgegroeid, de straat zie met de putdeksels die als doelpalen dienden.
Ik zie ze weer voetballen, de jongens in de
straat. Die veilige straat zonder geparkeerde auto’s. Zie de buurvrouw die uit
het raam hangt. De armen over elkaar geslagen waarop haar weelderige boezem
steunde. Zij stond garant voor de veiligheid in de straat en hield alles in de
gaten. Vooral haar dochtertje die verderop met een stuk krijt de stoep
besmeurde als artistieke uiting van haar fantasiewereld dat verkeerde tussen
jonge prinsen, sprookjesachtige kastelen, spoken en draken. Alle jongens in de
straat hadden wel een oogje op haar, met haar lange blonde paardenstaart waarin
zich altijd een vrolijk ogend kleurig lint bevond, alleen liep haar engelachtig
uiterlijk niet synchroon met de werkelijkheid, het was een regelrechte kat.
De straat is nu veel smaller dan in mijn
herinnering. Was het ooit een boulevard, nu slechts een straatje zoals er
zoveel zijn in het oude noorden van Rotterdam. Maar de huizen aan weerszijde
zijn hetzelfde gebleven. Daar woonde ik dus. Nummer 32. De statige mahoniehouten
deur. De stoep met twee treden waarop wij onze vergaderingen deden, ’s avonds
in het schemerdonker, fluisterend elkaar onze geheimen vertellend waarvan het
merendeel bij elkaar gefantaseerd om toch vooral maar als leider van de groep
over te komen. Een groepjes jongens nauwelijks in leeftijd verschillend.
Achter de mahoniehouten deur, de smalle gang
waarin ’s avonds de fiets van mijn vader stond geparkeerd waardoor je je welhaast
schrijlings moest bewegen om bij de trap met overloop te komen. Hier was een
tochtdeur die niet alleen tocht tegen hield, maar ook stiekem geluid, naar ik
hoopte tenminste toen ik eenmaal de leeftijd had bereikt er een vriendinnetje
op na te houden. Een mooi plekje om te vrijen, tegen het frame van mijn vaders
fiets. Zijn fiets maakte in die tijd misschien meer mee dan mijn vader zelf. Later,
bij een ouwe jongens krentenbrood gesprek, bleek dat hij tijdens zijn verkering
met mijn moeder allang ontdekt had hoe intiem zo’n gangetje naar de eerste
treden van de overloop kan zijn, en dat de geluidsdichtheid van een tochtdeur
nogal te wensen overlaat.
Toen wij allemaal wat ouder werden nam de
zucht naar avontuur toe, verlieten soms de straat om de naastgelegen straten te
bezoeken, en ontdekte een totaal andere wereld met totaal andere kinderen. Hier
zou ik nooit willen wonen, verklaarden wij naar elkaar en wisten precies waar
wij het over hadden. Een onverstaanbaar volkje jeugd leek zich in deze straten
te hebben samengevoegd tot een kliek met een eigen gewoonte die ons volkomen
vreemd was.
‘Het zijn mensen uit Zeeland,’ legde mijn
moeder uit. ‘Van de watersnoodramp. Zij hebben niets meer. Geen huis, geen
kleren, helemaal niets. En nu wonen zij zolang hier totdat zij weer terug
kunnen.’
‘Gaan ze weer terug dan?’ was mijn logische
vraag want wie wil er nou wonen op eilanden die zomaar onder water kunnen lopen.
‘Waarom blijven zij niet hier?’
‘Denk je dat die mensen dat willen,’ vroeg
mijn moeder. ‘Zij zijn hier helemaal niet gewend en willen niks liever dan
terug naar waar zij vandaan komen.’
Zo gaat dat met mensen die op de vlucht
geslagen zijn. Of het nou door een watersnoodramp komt, of door oorlog;
allemaal willen zij terug. Terug naar hun geboorteplaats.
Ik loop door de buurt waar ik vandaan kom. Mijn
geboorteplaats. Ik ben in Rotterdam, waar ik ben opgegroeid. Waar ik op het
puin van de stad heb gespeeld. Tussen de overblijfselen van de St. Laurenskerk.
Op de plek waar eens de Delftsepoort had gestaan. De hele binnenstad een grote
vlakte met hier en daar nog een stevig gebouw die het allemaal had overleefd,
zoals het Stadhuis en het Postkantoor. En de oude Bijenkorf waar wij, de hele
familie, een grammofoonplaat gingen kopen nadat wij deze eerst beluisterd
hadden in een speciale geluiddichte kamer. Het moet rond Sinterklaas geweest
zijn, want plotseling zat ik bij hem op schoot en mocht ik een liedje zingen.
Dit weet ik omdat het verhaal hierover mij vele malen verteld is door mijn
moeder. Dat ik zo schattig had gezongen en al het winkelend publiek stil was
blijven staan, ademloos luisterend naar mijn heldere kinderstem. Alleen al door
het verhaal schaamde ik mij kapot.
Schamen deed ik mij nog het meest om mijn
broers. Deze vier jaar oudere tweeling had blijkbaar van mijn moeder de
opdracht mee gekregen goed op hun kleine broertje te letten, en dit bleek een
taak die hun op het lijf geschreven was. Dat hun oplettende taak een averechtse
werking had en ik misschien hierdoor al jong een puberaal recalcitrante houding
ontwikkelde, mag worden verondersteld. Goeie jongens hoor, mijn broers, maar
waarom waren zij niet andermans broers. Van Pietje snot schuin aan de overkant
van de straat, bijvoorbeeld. Hij dankte zijn bijnaam aan het onophoudelijk
snotteren wat hij deed en waaraan geen einde leek te komen. Zakdoeken waren bij
hem thuis waarschijnlijk een onbekend stukje textiel, en trouwens het textiel
dat hij om zijn lichaam had hangen leek meer op jutezakken dan confectie en hij
droeg een raar brilletje wat met plakband aan elkaar zat. Pietje snot had geen
vriendjes, maar als ie wilde mocht ie mijn broers hebben. Of Pietje snot
misschien ook uit Zeeland kwam, vroeg ik aan mijn moeder, maar die wist te
vertellen dat niet alle mensen het even goed hadden. Zoals wij, benadrukte zij.
Wij waren niet arm. Waarom wij niet arm waren
was niet zozeer te danken aan mijn vaders carrière in een moeizaam naoorlogs op
gang komende economie, maar aan mijn grootvader. Hij had enkele jaren bij ons
ingewoond nadat zijn vrouw plotseling door een hartfalen was overleden, of
eigenlijk moet ik zeggen, wij trokken bij hem in om hem te verzorgen. Opa was
nagenoeg blind. Toen ook hij overleed liet hij ons het huis na wat al van voor
de eerste wereldoorlog in zijn bezit was. Een eigen huis bezitten was in die
tijd bijzonder en het bespaarde een hoop geld op het inkomen van mijn vader.
Hierdoor konden wij altijd net iets meer doen dan al onze buren, alleen paste
wij wel op hiermee te koop te lopen. Wat wij ook hadden geërfd van grootvader,
was de liefde voor het water. En deze liefde konden wij uiten door gebruik te
maken van zijn motorboot waarmee wij soms tochtjes maakten naar de Rottemeren,
daar meestal voor de boerderij van Jongeneel aan Oud Verlaat een stuk touw om
een rietkraag wikkelde zo de boot verankerend voor de nacht want om op een dag
op –en neer naar Rotterdam te varen was zonde van de tijd. ’s Nachts sliepen
wij in de houten kajuit op de met kussens bekleedde banken onder een flinterdun
dekentje met een jas opgerold als hoofdkussen onder je kop, welke je diende te
houden als de petroleum lantaarn werd uitgedraaid en het daarna pikkedonker was.
Ik rijd in een huurauto langs de Rottemeren en
probeer oude plekjes te ontdekken. Weg zijn zij. Er is een groot park ontstaan, aangelegd voor de recreanten uit de omliggende steden Rotterdam, Den Haag en
Zoetermeer. Er zijn voorzieningen gemaakt voor sport- en spel. Een
geciviliseerd natuurgebied met strakke fiets –en wandelpaden. Steigers voor
bootjes waaraan zij kunnen aanleggen en zo de rietkragen niet beschadigen.
Boerderijen zijn er niet meer. Geen hooischuren om in te spelen, geen koeien in
de wei, geen enkele kans meer om melk te jatten uit gevulde melkbussen die
wachten totdat zij werden opgehaald door vrachtwagens met daarop in grote
letters “Menken”. Er staat een straffe noordwester over het meer en deze vormt
witte schuimkoppen waarbij mijn moeder zeker uitgeroepen zou hebben: ‘Jezeem,
moet je dat zien!’ Vervolgens zou zij zeker binnen in de kajuit van de boot op
de barometer getikt hebben om te zien of er al een weersverbetering op komst
was. Want wij moesten nog helemaal terugvaren naar Rotterdam.
Wordt vervolgd
Geen opmerkingen:
Een reactie posten