donderdag 22 oktober 2015

In My Life (7 slot)



 
There are places I’ll remember
All my life, though some have changed
Some forever, not for better
Some have gone and some remain
All these places have their moments
With lovers and friends I still can recall
Some are dead and some are living
In my life, I’ve loved them all
 


 Door de lage barometerstand met de verwachtte storm, greep ik de kans en sloot mijzelf op in een baan zonder enig aanzien, zonder enige waardering, zonder enig begrip voor hetgeen waar ik acht jaar lang aan gewend en door verwend was geraakt. Ik ging weer werken bij een drukkerij. Onder de knoet van bedrijfsleiders met een achterbakse mentaliteit in het verspreiden van leugens en roddels. Typisch voor de grafische industrie waarin de Christelijke moraal hoogtij viert. Het zij zo, dacht ik. Dan onderkennen jullie mijn kwaliteiten toch niet.

Welke kwaliteiten? Daar moest ikzelf eens ernstig over nadenken. Opleiding is voor mij een totale mislukking geweest. Deed acht jaar over de lagere school. Tweemaal blijven zitten. Deed nog een jaar ambacht school met een opleiding voor schilder. Nou ja, deed. Liep zo'n beetje college. Afgekeurd voor zetter. Afgekeurd voor militaire dienst. Ontslagen bij de diverse bedrijven. Hoezo kwaliteiten. Wat verbeeldde ik mij. Alles wat ik had gedaan kwam voort uit een autodidact vermogen. Dit staat misschien wel ergens voor, maar kent een lange weg om iets te bereiken. Verder hing mijn leven aan elkaar van toevalligheden, leefde ik in een fantasiewereld waarbij niets echt was. Was ik John Lennon of Bob Dylan. Was ik Provo of Kabouter. Was ik antroposoof, deed alsof ik Goethe zelf was. Ik ben een soort zandverstuiving, dacht ik. Een zuchtje wind, en mijn geest dwarrelt alle kanten op. Zo, wat moet je dan verwachten als er storm op komst is.

Het losse zand waaruit ik besta leidde na negentien jaar bij die drukkerij tot een burn-out. Zesenvijftig was ik inmiddels. Carrière loos leunend op een vriendin waar ik mee samen woonde. Officieel werd zij mijn vrouw middels een samenlevingscontract en toen gaf zij er tijdens een vakantie in Thailand de brui aan door een hartinfarct, hartstilstand, herseninfarct. Overleefde dit als een kasplantje. Een staat waarin zij in een verpleeghuis na ruim tien jaar nog steeds verkeerd. Sindsdien heeft Thailand mij niet meer losgelaten. Ben er naar toe teruggekeerd, ben er min of meer gaan wonen, en na ruim negen jaar nemen de ergernissen over dit in mijn ogen hypocriete en stupide volk, die men Thai noemt, zo toe dat ik overweeg het land de rug toe te keren.

Tien jaar geleden ging ik terug omdat een chirurg -die mij geopereerd had na vage klachten in de buik- verklaarde dat ik aan een onbehandelbare kanker leed en waarschijnlijk de Kerst niet zou halen. Het was toen september 2005. Omdat ik nog steeds goed functioneerde bedacht ik dat het misschien wel een goed idee zou zijn nog een keer op vakantie te gaan, en dan naar Thailand. Het resultaat? Gewiegd in de armen van Siam door buitengewoon begripvolle vrouwen die kanker beschouwen als een verkoudheidje, en als het erger mocht blijken Boeddha daar was om je op te nemen en later te reïncarneren als een Prins of toch tenminste als miljonair. Resultaat dus; verslaving. 
Verslaafd aan het land met sprookjes. Verslaafd aan de vrijheid, het klimaat, de kosten van levensonderhoud en niet in de minste plaats, alle schoonheden die er zomaar los en vrij rondlopen en voor een appel en een ei de jouwe zijn. In hoog tempo ging mijn spaargeld naar de hongerige partij schoonheden, klemde mij om mijzelf te redden van een zeker faillissement dan maar vast aan een die solide en betrouwbaar leek en bleef acht jaar met haar samen. Bleef want het Thaise bloed kruipt waar het niet gaan kan, en mijn bloed trouwens ook want het spreekwoord luidt: de vos verliest wel zijn haren maar . . .

Ik woon in een appartement tegen het hartje van de stad Chiang Mai. Van hieruit heb ik een prachtig uitzicht op de eeuwig groene bergen van Doi Suthep waarop de Wat Phrathat dat een boeddhistisch heiligdom vertegenwoordigd waar hordes gelovigen en toeristen op afkomen. Een paar maal ben ik boven op de berg geweest en nooit erg onder de indruk geraakt van het heiligdom. Wel van de veelal blanke toeristen. Heren smaakvol gekleed in korte broek waarbij het kruis zo ongeveer tussen de knieën hangt, hierboven een leuk mouwloos shirt waarop een biermerk prijkt, Ali B. Petje op het kalende hoofd, open sandalen aan de voeten met ranzige nagels en een digi op de zeven maanden zwangere buik. Veelal zijn de heren in het gezelschap van een jonge Thaise schoonheid, mochten het echter blanke echtparen zijn, dan voldoet de echtgenote aan het schoonheids ideaal uit de tijd van Rubens. Westers decadente welvaart rond de Stoepa waarin zich restjes as van Boeddha moet bevinden, maar dit beweert elk zichzelf respecterende Wat hier in Thailand. 

Ik leef bijna hele dagen in het door mij gehuurde appartement, kom slechts buiten voor een rondje golf en ik word dagelijks verzorgd door een Thais vriendinnetje die mijn afwas doet, het appartement schoon houdt om na haar gedane arbeid mijn bed te gebruiken om haar tekort aan nachtrust in te halen. Ik heb geen tekort aan nachtrust. Mijn ogen strijden om half negen ’s avonds al tegen de zwaartekracht en zijn niet in staat deze strijd te winnen. Zo maak ik ruim negen uur per nacht en begin de volgende dag met hernieuwde moed die mij al snel in de schoenen zakt met het gevoel dat ik moet afronden en niet precies weet hoe.

Ik begon maar te schrijven over het verleden. Een soort therapie eigenlijk. Het leidt voor een moment de aandacht af van het heden. Ik zie mijzelf dan weer op de hoek van de Zestienhovenstraat en de Roderijselaan hangen met de andere jongens. Het woord bestond nog niet eens, maar wij waren hangjongeren. Herinner mij een winter dat het zo had geijzeld, dat je op de straat kon schaatsen. Een winter dat de sneeuw hoog opgejaagd tegen de kale Platanen op de laan lag. Dezelfde winter toen wij als familie gingen kijken in Scheveningen hoe de zee dichtgevroren leek.

Een zomer die zo lang duurde, dat sommige mensen zeiden het nu toch wel angstig te vinden. ‘Kan mij niet lang genoeg duren,’ zei mijn vader. Mijn moeder tikte tegen het glazen ruitje van de barometer, en voorspelde dat het nog lang ging duren. Ik geloof dat het diezelfde avond nog ging onweren.

Als ik voor een wijle terug ben in Rotterdam om mijzelf op m’n stabiele ziekte te laten controleren, kan ik het niet laten. Even terug op de plekken zonder zorgen, ervaring, schuldgevoel. Als ik door mijn buurt loop waar ik ben opgegroeid. Als ik de plekken passeer waar ik gewerkt heb. Hoeveel plekken? Alleen in Rotterdam al? Twaalf, dertien, ik weet het niet meer. In totaal komt het neer op zo’n achttien stuks verdeeld over het land. Veel bedrijven bestaan allang niet meer. Veel zijn nog springlevend. Veel vrienden bestaan ook niet meer, evenals liefdes. Maar ik kan ze allemaal nog voor de geest halen. En sommige zijn nog steeds aanwezig.

   
Herinneringen opschrijven is niet moeilijk. Moeilijk is het dingen weg te laten. Makkelijk is het om te schrijven dat in mijn leven veel mensen die ik heb mogen leren kennen, nog steeds een plaats hebben in mijn hart.
“In my life, I’ve loved them all.”


      

Geen opmerkingen:

Een reactie posten