There are places I’ll remember
All my life, though some have changed
Some forever, not for better
Some have gone and some remain
De huurauto had ik geparkeerd op de
Roderijselaan met als doel het stukje over de Bergweg naar van Oudgaarden te
lopen. Mijn dagelijkse wandeling naar mijn nieuwe carrière als fotograaf
herhalend, zoekend naar dezelfde opgewekte tred waarmee ik de stoep beliep,
zwaaiend naar mijn vriendinnetje die als kapster werkte in een kapsalon en
altijd op dezelfde tijd als ik langs liep, achter het raam stond om terug te
zwaaien. Er is niet veel veranderd, ontdekte ik tijdens mijn wandeling. De
bomen zijn iets groter misschien. Het verkeer drukker. Minder fietsers. Maar de
tram is er nog, alleen heet het geen lijn veertien meer maar lijn vier. Die
tien was blijkbaar overdreven volgens de RET en kon wel verdwijnen. Wat in zijn
geheel kon verdwijnen was lijn elf naar het Lisplein en van de trambaan heeft
men een mooi wandelpark gemaakt.
Van Oudgaarden bestaat niet meer. Allang niet
meer. Waar vroeger in de etalage foto’s stonden en hingen van geslaagde opnames
tijdens een trouwreportage, of van een studio opname van een mooie dame, of een
vijftig jaar getrouwd stel, hangt nu de kleding van een modezaak. Er zijn zelfs
geen contouren meer te ontdekken van de letters waarop vroeger te lezen stond:
van Oudgaarden fotografie. Het pand is gebleven, zijn functie als onderkomen
voor enthousiaste fotografen verdwenen.
Karel had zojuist bij mijn binnenkomst die
eerste dag, de “Prix Nipes” gewonnen. Toen een belangrijke onderscheiding voor
jonge beroepsfotografen als aanstormend talent. Karel was een boom van een
vent, zag er voor zijn leeftijd veel en veel ouder uit, hij leek wel dertig
maar was pas zeventien. Slechts een jaar ouder dan ik. Ook geestelijk liep hij
ver op mij voor, had een volwassen kijk op de zaken, en zeker het zaken doen
waarmee hij nogal eens in conflict kwam met van Oudgaarden zelf. Volgens Karel
was het bedrijf beter te runnen en viel er veel meer geld uit te halen, als
meneer, zoals hij hem noemde, wat meer aandacht besteden aan de fotografie zelf
en niet aan zijn boot. Maar meneer voer zijn eigen koers, realiseerde zich
waardoor zijn vader die voor hem de zaak bezat was overleden en hij weigerde
zijn pad te volgen. Zijn Abel Tasman, het zeegaande jacht in de vluchthaven
van Hoek van Holland, verkoos hij boven alles. Vaak verdacht ik hem er van dat
hij mij had aangenomen om over zeilen te kunnen praten, over fotografie had hij
het tenminste nooit.
Het vak fotografie werd besproken door de
jonge talenten die in het bedrijf werkten. Karel, Harry, Ilona en dan had je
nog Edith die zich slechts bemoeide met haar uiterlijk en verwoede pogingen
deed Karel van haar lijf te houden. Karel was gek op haar, ofschoon ie acht jaar
jonger was dan zij, maar dit was niet te zien. Mijn nieuwe baan in een nieuw
beroep leek mij op het lijf geschreven. Ofschoon ik de eerste maanden niet uit
de donkere kamer kwam waar ik trouwreportages mocht afdrukken, vond ik de hele
sfeer binnen het bedrijf geweldig. Hier werd niet over voetballen gesproken,
hier werden geen grove en flauwe moppen verteld over vrouwen, hier werd op
niveau gesproken over kunst. Vooral over de fotografie, te zien in de diverse
bladen. Nederlands of buitenlands. Vooral Franse bladen hadden de aandacht en
ik keek mee en luisterde wat men er over zei en, begreep er geen bal van.
Begreep niks over wat men te zeggen had over composities, achtergronden,
personen op de foto’s die beter buiten beeld hadden kunnen blijven . . . die
foto’s glansde toch mooi. Ik kende het woord nog niet, nu zou ik zeggen dat het
allemaal behoorlijk “Would Be” op mij over kwam. Maar op dat moment vond ik nou
eenmaal alles geweldig, waren zij verreweg mijn meerderen en ik onderwierp mij
als de Niwit die niks van kunst wist.
Muziek, daar dacht ik alles van te weten.
Gewoon door jarenlang mijn moeders voorkeuren aan te horen en hierbij uitleg te
krijgen wat een bepaalde componist bedoeld had. Dus als je opgegroeid bent met
muziek, moet je daar zelf ook wat mee en werd ik zanger in een band. Nou ja,
band. Mijn jeugdvriendjes uit de straat hadden onder invloed van The Beatles en
The Rolling Stones besloten ook maar een carrière te beginnen in de muziek, en
dan de rock muziek. Zij zochten nog een zanger. Nou kon ik aardig wijs houden
dus dat zingen zou mij wel goed af gaan, maar al snel ontstond er onenigheid
binnen de groep over wat te zingen en vooral hoe dit in de juiste akkoorden te
begeleiden. De drummer en oprichter van de groep was een hartstochtelijk Stones
fan, waarmee hij in mijn ogen al direct te kennen gaf niet over een muzikaal
oor te beschikken, en ik als Beatles fan dus wel. Wat wist hij nou van akkoord
vreemde noten en atonale die zo tersluiks in hun melodieën verweven zaten. Dat
hiermee naast de geraffineerde melodielijn dat bijzondere geluid werd gemaakt.
Maar aangezien de rest van de band op de gitaren ook niks meer konden dan drie
akkoorden spelen, is de groep nooit tot verder gekomen dan wat oefenen op de
zolderkamer bij een van hen. “It’s all over now” van de Rolling Stones hadden
wij voor het uiteen vallen toch nog goed onder de knie.
Mijn werkelijke carrière bewoog zich dan toch
maar in de fotografie. Na van Oudgaarden heb ik nooit meer een baan gehad waar
ik met zoveel plezier naar toe ging. Ik kon op zondag al verzuchtte in de wens
dat ik wilde dat het al maandag was.
Omdat ik tot de elite behoorde die zich
met watersport bezig hield, mocht juist ik met meneer mee naar de HISWA in
Amsterdam. Daar gingen wij opdrachten vervullen in het fotograferen van jachten
tentoongesteld in de enorme RAI hallen. Exterieurs, interieurs, glanzend
opgepoetste zeil –en motorjachten die allemaal kapitalen vertegenwoordigden,
werden blootgesteld aan de optische balk waarmee je de voor –en achterwand kon
basculeren en trouw gaf ik in opdracht van, een super Anglion 4.0 aan, hield
lampen vast voor de juiste uitlichting en dronk met meneer en de bouwer van
zo’n jacht jenever in de kuip, wat ik niet gewend was en daar dus kotsmisselijk
van werd. Dagen achtereen zwierven meneer en ik over de HISWA en ik werd van
plaszeiler met een flesje fris een zeezeiler met een fles jenever.
‘Je stinkt,’ zei mijn moeder als ik thuis kwam
en haar passeerde op de gang. Als afleiding tikte ik tegen de barometer.
‘Ik denk dat het gaat regenen,’ antwoordde ik
met dikke tong.
Wordt vervolgd
Wordt vervolgd


Geen opmerkingen:
Een reactie posten