zaterdag 16 april 2016

‘Een uur is beter,’ herhaalde zij het aanraden van Madame naar de man die tegenover hen stond. 


De man zag er niet uit. Kalend, dikbuikig, slordig gekleed in een spijkerbroek waarbij het kruis tot net iets boven zijn knieën hing. Hij twijfelde een ogenblik, trok toen zijn schouders op waarbij hij leek te denken van ach, je leeft maar een keer en zei; ‘Oke, een uur dan.’ 

Je moet er maar zin in hebben, dacht ik terwijl ik het tafereel bekeek. Ik doelde op het tengere jonge bruine meisje met haar lange zwarte haren en donkere ogen. De dames lachte hem toe. De vette vis was gevangen, schubben, fileren en de pan in. Madame vroeg of hij de honderd Euro alvast wilde betalen en riep vanachter het kleine barretje in de hoek van de huiskamer het stel veel plezier na. Zij verdwenen via een smalle trap naar de bovenverdieping. Andere meisjes keken het stel na. Op hun gezichten was geen afgunst te lezen. Ik weet niet of ik het goed zag, maar opluchting misschien? 

Opgelucht dat zij niet waren uitgekozen toen hij met een keuringsdienst van waarde blik in zijn ogen de meisjes bekeek die zich her en der op de vloerbedekking onder een dun dekentje verstopt hielden. Alleen hun fijnbesneden gezichtjes waren te zien. Hun koolzwarte ogen. Hun kleine neusjes. Hun lange zwarte haren. Hun volle lippen.

‘Hier,’ zei Madame en schoof een bord “Khao Pad Kai” onder m’n neus. Ik kreeg er een lepel bij. ‘Bier, of water,’ vroeg zij. ‘Och, bier dan maar hè,’ antwoordde ik. Welwillend werd ik bekeken door de meisjes op de vloer.
‘Aroi,’ werd er gevraagd. Ik knikte met een volle mond. ‘Aroi Makma,’ antwoordde ik toen ik weer kon spreken.
Zij observeerden mij alsof een ik Alien was, zojuist geland met zijn ruimteschip in de achtertuin drie verdiepingen beneden ons.
‘Ben je geil,’ vroeg er een. Zij had blijkbaar nog geen klanten gehad en hunkerde naar wat inkomsten. Ik at rustig door en gaf geen antwoord. ‘Mag wel hoor,’ zei Madame. ‘Weet ik,’ zei ik met volle mond. ‘Maar ja, je weet het hè, No Money No Honey.’
‘Jij hebt geld genoeg,’ werd er gezegd. ‘You big money,’ zei de Filipijnse die geen woord Nederlands sprak.

De bel ging. Een nieuwe klant voor een Thai Massage. Na vijf minuten stond hij nahijgend van het beklimmen van de drie etages, in de kamer. Madame had weer plaats genomen achter de bar.
‘Thai Massage,’ vroeg zei. De man zag er nog onverzorgder uit dan zijn voorganger. Maar anders dan zijn voorganger was hij geen twijfelaar. Waar hij voor kwam wist ie precies, te zien aan het gebaar wat hij maakte. Blow-job, las ik. Zijn ordinaire uiterlijk liep synchroon met de manier waarop hij zijn wens kenbaar maakte. Maar niemand scheen er moeite mee te hebben. 
‘Kai,’ riep Madame. Een jonge hyperslanke schoonheid die Kai genoemd werd kwam onder haar dekentje vandaan en liep naar het barretje, taxerend opgenomen door haar klant die het zelfs niet op kon brengen haar te groeten of ook maar even een glimlach te vertonen. ‘Veel plezier,’ riep Madame weer toen zij naar boven verdwenen.

‘Mag ik nog een bier,’ vroeg ik Madame. Zij pakte een flesje uit de koelkast, opende hem en probeerde mijn glas in te schenken.
‘Ho,ho,’ riep ik, ‘laat mij dat zelf maar doen. Ik prefereer een mooie schuimkraag en niet zo’n dood ding. Ben geen Engelsman.’

De bel ging weer. ‘Is het elke avond zo druk,’ vroeg ik.
‘Vrijdag hè,’ zei Madame waarmee het bezoekersaantal verklaard leek.
Via een beeldschermpje verbonden aan een bewakingscamera kon men zien wie er aan de deur stond.
‘Vrouwen,’ werd er met verbazing gezegd.
‘Zijn zeker op zoek naar hun mannen,’ opperde ik.
‘Zal ik opendoen,’ vroeg Madame.
Niemand gaf antwoord.
‘Tuurlijk,’ zei ik ‘open doen.’ Ik was zo nieuwsgierig als de pest wat twee vrouwen hier kwamen doen. Misschien toch gewoon afgekomen op het uithangbord waarop te lezen viel “Thai Massage”.

Madame drukte op het knopje waardoor de deur uit zijn slot ontwaakte en je hem met een lichte duw kon openen. Wij volgden met z’n allen via het beeldscherm wie er de trap op kwamen. De twee dames bleven staan voor de deur die naar de huiskamer leidde.
‘Police,’ vroeg de Filipijnse met angst in haar stem.
‘Ben je bang,’ vroeg ik.
Zij verstopte zich nu volledig onder het dunne dekentje. Er was nauwelijks te zien dat het dekentje iets opbolde door haar lichaam.
   
‘Kom maar binnen hoor,’ riep Madame. En daar stonden zij. Twee jonge meiden in hun winterjas, sjaal om de nek, lange blonde haren en grote gezichten met geprononceerde neuzen. Van top tot teen werden zij opgenomen door de andere meisjes op de vloer liggend en door mij zittend op de bank, hapje voor hapje en slokjes bier drinkend een maaltijd wegwerkend.
‘Wij zijn van de Rutger stichting,’ begon een van de twee. ‘Wij willen graag wat voorlichting komen geven over hoe belangrijk het is om condooms te gebruiken.
‘Ga maar zitten’, zei Madame en wees op de bank. ‘Willen jullie wat drinken?’
Ondertussen trok zij de deken weg waaronder de Filipijnse zich verstopt had.
‘It’s oke,’ zei zij sussend.
Ik schoof een stukje op. Verplaatste mijn bord en bier met mij. Ondertussen bleef de televisie met zijn prominente plaats in de huiskamer, een Thaise soap door knetteren. Madame schonk water in. Een van de twee meisjes knoopte haar sjaal los. De Filipijnse geeuwde hartstochtelijk. De rest was weer verdiept in de soap. Ik at rustig door. En de man van een uur kwam met zijn masseuse naar beneden en ik keek op mijn horloge en zag dat hij voor tenminste een half uur was opgelicht. Vlug vertrok hij.

Soa, ja daar ging het over. Zij stelde condooms ter beschikking. Een hele doos vol. Gratis en voor niks. Madame pakte de doos aan, zei dank u wel en borg de gift op in een kast. De meisjes probeerden nog uit te leggen wat Soa precies inhoudt, deelden foldertjes uit, dronken hun glaasje water leeg en vertrokken weer .‘Dag meneer, eet smakelijk verder. Zag er erg lekker uit.’ De trap aflopend hoorde ik ze giechelen. Ouwe vent in een hoerentent. Of zou het de baas geweest zijn.

Ik was niks. Noch baas, noch klant. Ik was een zwerver met een dak boven zijn hoofd en met het gevoel dat dat dak mij elk moment kon verpletteren. Maar dit zou niet gebeuren. Het was maar een gevoel. Benauwend. Ik moest weg, het huis uit. Elke avond, weg. Naar de stad die mij vertrouwd is. Over de A13. Naar Rotterdam. Ik wilde rondlopen in het oude-noorden. Waar ik geboren ben. Op straat speelde. Ik liep via de Roderijselaan met zijn prachtige Platanen naar de Zwartjanstraat. Sloeg een zijstraat in waarvan ik mij kon herinneren dat hier vroeger op Koninginnedag een podium was opgetuigd en een man met een accordeon liedjes van Johnny Jordaan speelde. En mensen dansten onder de rood wit blauwe vlaggetjes die aan een touwtje van huis naar huis waren gespannen. Het was daar dat ik voor het eerst een meisje kuste. Hoe oud ik was? Twaalf misschien. Zoiets.
 
“Thai Massage”, zag ik. Zomaar in het zijstraatje van de Zwartjanstraat. Een metalen bord tegen de muur gespijkerd. Een stukje Thailand in het oude noorden van Rotterdam. En binnen, Thaise vrouwen natuurlijk. Zo veronderstelde ik. Hun zachte en stevige handen zouden mijn hoofd kunnen masseren. Zij zouden alle slechte herinneringen vervangen voor al het goeds wat ik meegemaakt heb. Daar, in hun thuisland, in Bangkok waar ik werd gewiegd in de armen van Siam. Daar was het ook gelukt.

Ik had op de deurbel gedrukt. Met een zoemgeluid werd de deur geopend en ik beklom de trap voor mij. Voor de deur naar de huiskamer bleef ik staan.
‘Kom maar binnen hoor,’ hoorde ik roepen. Zij stond achter haar barretje met daarop flessen wodka en whisky. ‘Hallo,’ zei zij, ‘komt u voor massage.’ Ik keek de kamer in. Telde in de gauwigheid zes Aziatisch ogende meisjes. Zij lagen op de vloer en keken naar de televisie. Een Thaise soap, herkende ik. 
‘Zoek maar uit hoor,’ vervolgde zij. Alsof ik op een veemarkt terecht was gekomen.

‘M’n hoofd,’ zei ik,’ alleen maar mijn hoofd.’ Ik zei het alsof het een apart ding was. Dat ik het af kon schroeven en voor hen op tafel leggen waar zij dan met belangstelling naar keken voor het aan te raken. ‘Jij wat drinken,’ zei Madame. ‘Jij daar zitten.’ Zij wees op de bank. De meisjes keken met belangstelling hoe ik plaats nam. ‘Jij ook wat eten,’ zei Madame.

donderdag 21 januari 2016

Something

Ik werd wakker van gekreun, gestommel en gedempte stemmen. Er werd licht gemaakt in de hoek van de zaal en ik zag hoe een man vanaf een brancard in bed werd getild. Vier verpleegkundigen , twee mannen, twee vrouwen. De man kreunde nog harder. Hij had pijn. Handig en professioneel pakte het team het aan. Binnen drie seconden lag hij in het ziekenhuisbed, werd hij toegedekt en nog iets tegen hem gezegd. Hierna mocht de familie even bij hem. Een ouder echtpaar. Zij praatten gedempt tegen hem. In het schemerlicht in de hoek van de zaal waren zij silhouetten waar ik naar keek. Wat zij zeiden tegen de man waren ook silhouetten. Onverstaanbaar, onherkenbaar.

Ik lig op een zaal met vier andere patiënten waaraan nu een vijfde is toegevoegd. Vijf patiënten in totaal waaronder twee vrouwen. Mijn ogen gewend aan het schemerlicht en ik probeer de zaal rond te kijken wie er nog meer wakker is. Wakker geworden van het gestommel en het gedempte praten met daarnaast het gekreun. Zo te zien niemand. Ik kijk naar mijn infuus waaruit tergend langzaam druppeltjes in het slangetje verdwijnen die naar mijn rechterarm leidt. Hierin is een naald gebracht afgeplakt met pleisters.

Klaarwakker ben ik nu. Onbeleefd probeer ik het gesprek af te luisteren wat de twee oude mensen voeren met de man. Hun zoon, veronderstel ik. Flarden vang ik op. Een ongeluk, begrijp ik. Op zijn werk. In de haven, begrijp ik ook. Wat en hoe kan ik niet thuisbrengen. Ik hoop dat het bezoek niet lang meer duurt. Dat de twee mensen verdwijnen en het schemerlicht volledig wordt uitgedaan. Misschien dat ik dan weer in slaap val. De schijnbaar eindeloze tijd wat verkort wordt. Het liefst met een mooie droom. Wat wil ik dromen. Over een schoonheid van een verpleegster die zich over mij ontfermt? Donker getint, donkere ogen, ravenzwart haar, sensuele lippen, zachte stem, zachte handen.

Chiang Mai. Tien jaar later. Geen zaal maar een privékamer. VIP, staat er op de deur. Dat ben ik dus; VIP. “Very Important Person”. In een kamer met breedbek televisie, een eigen keuken met toebehoren zoals magnetron. Eigen badkamer en een slaapbank voor geliefde of aanverwanten die willen blijven slapen. Plek genoeg. ’s Nachts word ik niet wakker van een patiënt die wordt binnengebracht, ’s nachts word ik wakker gemaakt door een verpleegster die zich over mij ontfermt. Zij doet dat door mijn bloeddruk te meten, mijn temperatuur en een ding op mijn middenvinger te klemmen waarna zij kan zien via een elektronisch metertje of er voldoende zuurstof in mijn bloed zit. Ik ken de truc en haal een paar maal diep adem.
‘Oke,’ fluistert zij met haar zachte stem. Haar zachte hand glijd even over mijn voorhoofd. Een aai over de bol zogezegd. Een troostende hand, kan het ook zijn. Zij is donker getint, heeft donkere ogen, ravenzwart haar, sensuele lippen. Ik zucht. Mijn zucht is geen gesnurk want ik ben klaarwakker. Mijn zucht uit ik niet in een droom, het is werkelijkheid.

Nog voordat zij weer verdwijnt en het licht uitdoet, kijk ik snel naar het infuus. Tergend langzaam. Ook hier. De enige vergelijking die opgaat. Langzaam, langzaam. Het goedje dat via een ader in mijn arm wordt gebracht is slecht voor de nieren. En wat mij betreft voor de nier want ik heb er nog maar een. Zuinig op zijn, is het devies.

Zuinig op zijn, ja. Op je hele lichaam. Had ik eerder moeten bedenken. Nog een bier? Whisky misschien? Leve de lol. M’n pakje sigaretten is alweer leeg. Snel een nieuwe opengemaakt. Een slokje van mijn sigaret, een haaltje van mijn bier. Of was het nou omgekeerd. Ik weet het allang niet meer. Mijn brein is beneveld. Avond na avond. En mijn lichaam vecht de volgende morgen tegen het gif.

‘U hoeft zich niet schuldig te voelen,’ zei de specialist in het Erasmus Medisch Centrum. 
‘Neuro Endocrine Kanker heeft niks met roken te maken.’
‘Dank u dokter. Ik was ook niet van plan mij schuldig te voelen.’
Schuldig voelen? Nee zeg, nergens over. Spijtgevoel? Ja, volop. Vooral over mijn verkeerde inschattingen naar de medemens.

Heel veel tijd heb ik. Om na te denken. Aan het infuus, bestrijdend de Guillant Barre die mijn spieren teisteren. Een lange weg te gaan, weet ik vanaf de eerste keer in 2006 toen ik dit kreeg. Lopen een lange tijd onmogelijk. Gewoon weer opnieuw leren eigenlijk. Armen loodzwaar. Maanden en maanden doodmoe. Slapen, veel slapen. Lange nachten, en dan de volgende dag ’s middags weer slapen. Het restje leven verslaap ik is mijn gevoel. Alsof ik mijn ogen al voor eeuwig gesloten heb. Ik open ze weer en kijk naar buiten over de stad Chiang Mai. Daar in de straten zindert het. De middagzon brengt de temperatuur ver boven de dertig graden. Hier loeit de airco. Tweeëntwintig graden. En een andere verpleegster komt binnen, een karretje voor zich uitduwend waarop de bloeddrukmeter en nog wat andere attributen en natuurlijk een vragenlijst met gegevens welke zij invult. Zij straalt. Zij houdt van grapjes. Elk compliment die ik naar haar maak ervaart zij als een grapje. ‘Hello Khun Sui,’ zeg ik. Het is geen grapje want zij oogt als Miss World. Mijn bloeddruk is weer iets hoger.

Omstreeks zes uur ’s avonds wordt mijn avondeten gebracht. Niet het eten wat het ziekenhuis biedt, maar mijn Thaise familie staat op de drempel en brengt Hamburgers en patat. Zo van de Mc Donalds. En fruit brengen zij, ter compensatie van het ongezonde Mc Donalds voedsel. Allemaal zijn zij er. Man, vrouw en de twee kinderen. Rondom mijn bed. Alleen de echtgenote spreekt wat Engels, de rest kijkt medelijdend en zorgelijk naar mij. Ik leg uit dat het allemaal wel goed komt. Dat het een tijdelijk iets is. Het wel weer over gaat. Dat ik de volgende dag ga beginnen met de fysiotherapie. Kortom, dat ik mijn eerste pogingen ga doen weer te lopen.

‘I’ll come tommorow,’ zegt zij. ‘Look at you.’
Ik glimlach. Zij laat mij niet in de steek. Wat ook haar beweegredenen zijn, het maakt mij niet uit. Zij laat mij niet in de steek.

Ik ben ontslagen. Mag weer naar huis. Mijn appartement met dat mooie uitzicht op de bergen van Doi Suthep. Ik moet nog veel trainen. Wandelen is het beste. Er is een mooi park in de buurt. Het is koel om deze tijd van het jaar, ’s morgens vroeg. Ik loop rondjes rond een meertje. Langzaam, langzaam. Na de eerste keer dat ik werd behandeld voor Guillant Barre in Holland, ging ik naar een sportschool. Trainen op een lopende band of op een fiets. Zou ik nu ook kunnen doen. Sportscholen genoeg. Zelfs een in het appartementencomplex. Maar ik loop rondjes, om het meer, tussen het tropisch geweld aan bomen, struiken en bougainville. Zij loopt naast mij. Om mij op te vangen als ik mijn evenwicht verlies. Zij laat mij niet in de steek.