Ik werd wakker van gekreun, gestommel en gedempte stemmen.
Er werd licht gemaakt in de hoek van de zaal en ik zag hoe een man vanaf een
brancard in bed werd getild. Vier verpleegkundigen , twee mannen, twee vrouwen.
De man kreunde nog harder. Hij had pijn. Handig en professioneel pakte het team
het aan. Binnen drie seconden lag hij in het ziekenhuisbed, werd hij toegedekt
en nog iets tegen hem gezegd. Hierna mocht de familie even bij hem. Een ouder
echtpaar. Zij praatten gedempt tegen hem. In het schemerlicht in de hoek van de
zaal waren zij silhouetten waar ik naar keek. Wat zij zeiden tegen de man waren
ook silhouetten. Onverstaanbaar, onherkenbaar.
Ik lig op een zaal met vier andere patiënten waaraan nu een
vijfde is toegevoegd. Vijf patiënten in totaal waaronder twee vrouwen. Mijn
ogen gewend aan het schemerlicht en ik probeer de zaal rond te kijken wie er
nog meer wakker is. Wakker geworden van het gestommel en het gedempte praten
met daarnaast het gekreun. Zo te zien niemand. Ik kijk naar mijn infuus waaruit
tergend langzaam druppeltjes in het slangetje verdwijnen die naar mijn
rechterarm leidt. Hierin is een naald gebracht afgeplakt met pleisters.
Klaarwakker ben ik nu. Onbeleefd probeer ik het gesprek af
te luisteren wat de twee oude mensen voeren met de man. Hun zoon, veronderstel
ik. Flarden vang ik op. Een ongeluk, begrijp ik. Op zijn werk. In de haven,
begrijp ik ook. Wat en hoe kan ik niet thuisbrengen. Ik hoop dat het bezoek
niet lang meer duurt. Dat de twee mensen verdwijnen en het schemerlicht
volledig wordt uitgedaan. Misschien dat ik dan weer in slaap val. De schijnbaar
eindeloze tijd wat verkort wordt. Het liefst met een mooie droom. Wat wil ik
dromen. Over een schoonheid van een verpleegster die zich over mij ontfermt?
Donker getint, donkere ogen, ravenzwart haar, sensuele lippen, zachte stem,
zachte handen.
Chiang Mai. Tien jaar later. Geen zaal maar een privékamer.
VIP, staat er op de deur. Dat ben ik dus; VIP. “Very Important Person”. In een
kamer met breedbek televisie, een eigen keuken met toebehoren zoals magnetron.
Eigen badkamer en een slaapbank voor geliefde of aanverwanten die willen
blijven slapen. Plek genoeg. ’s Nachts word ik niet wakker van een patiënt die
wordt binnengebracht, ’s nachts word ik wakker gemaakt door een verpleegster
die zich over mij ontfermt. Zij doet dat door mijn bloeddruk te meten, mijn
temperatuur en een ding op mijn middenvinger te klemmen waarna zij kan zien via
een elektronisch metertje of er voldoende zuurstof in mijn bloed zit. Ik ken de
truc en haal een paar maal diep adem.
‘Oke,’ fluistert zij met haar zachte stem. Haar zachte hand
glijd even over mijn voorhoofd. Een aai over de bol zogezegd. Een troostende
hand, kan het ook zijn. Zij is donker getint, heeft donkere ogen, ravenzwart
haar, sensuele lippen. Ik zucht. Mijn zucht is geen gesnurk want ik ben
klaarwakker. Mijn zucht uit ik niet in een droom, het is werkelijkheid.
Nog voordat zij weer verdwijnt en het licht uitdoet, kijk ik
snel naar het infuus. Tergend langzaam. Ook hier. De enige vergelijking die
opgaat. Langzaam, langzaam. Het goedje dat via een ader in mijn arm wordt gebracht
is slecht voor de nieren. En wat mij betreft voor de nier want ik heb er nog
maar een. Zuinig op zijn, is het devies.
Zuinig op zijn, ja. Op je hele lichaam. Had ik eerder moeten
bedenken. Nog een bier? Whisky misschien? Leve de lol. M’n pakje sigaretten is
alweer leeg. Snel een nieuwe opengemaakt. Een slokje van mijn sigaret, een
haaltje van mijn bier. Of was het nou omgekeerd. Ik weet het allang niet meer.
Mijn brein is beneveld. Avond na avond. En mijn lichaam vecht de volgende
morgen tegen het gif.
‘U hoeft zich niet schuldig te voelen,’ zei de specialist in
het Erasmus Medisch Centrum.
‘Neuro Endocrine Kanker heeft niks met roken te
maken.’
‘Dank u dokter. Ik was ook niet van plan mij schuldig te
voelen.’
Schuldig voelen? Nee zeg, nergens over. Spijtgevoel? Ja,
volop. Vooral over mijn verkeerde inschattingen naar de medemens.
Heel veel tijd heb ik. Om na te denken. Aan het infuus,
bestrijdend de Guillant Barre die mijn spieren teisteren. Een lange weg te
gaan, weet ik vanaf de eerste keer in 2006 toen ik dit kreeg. Lopen een lange
tijd onmogelijk. Gewoon weer opnieuw leren eigenlijk. Armen loodzwaar. Maanden
en maanden doodmoe. Slapen, veel slapen. Lange nachten, en dan de volgende dag
’s middags weer slapen. Het restje leven verslaap ik is mijn gevoel. Alsof ik
mijn ogen al voor eeuwig gesloten heb. Ik open ze weer en kijk naar buiten over
de stad Chiang Mai. Daar in de straten zindert het. De middagzon brengt de
temperatuur ver boven de dertig graden. Hier loeit de airco. Tweeëntwintig
graden. En een andere verpleegster komt binnen, een karretje voor zich
uitduwend waarop de bloeddrukmeter en nog wat andere attributen en natuurlijk
een vragenlijst met gegevens welke zij invult. Zij straalt. Zij houdt van
grapjes. Elk compliment die ik naar haar maak ervaart zij als een grapje. ‘Hello
Khun Sui,’ zeg ik. Het is geen grapje want zij oogt als Miss World. Mijn
bloeddruk is weer iets hoger.
Omstreeks zes uur ’s avonds wordt mijn avondeten gebracht.
Niet het eten wat het ziekenhuis biedt, maar mijn Thaise familie staat op de
drempel en brengt Hamburgers en patat. Zo van de Mc Donalds. En fruit brengen
zij, ter compensatie van het ongezonde Mc Donalds voedsel. Allemaal zijn zij
er. Man, vrouw en de twee kinderen. Rondom mijn bed. Alleen de echtgenote
spreekt wat Engels, de rest kijkt medelijdend en zorgelijk naar mij. Ik leg uit
dat het allemaal wel goed komt. Dat het een tijdelijk iets is. Het wel weer
over gaat. Dat ik de volgende dag ga beginnen met de fysiotherapie. Kortom, dat
ik mijn eerste pogingen ga doen weer te lopen.
‘I’ll come tommorow,’ zegt zij. ‘Look at you.’
Ik glimlach. Zij laat mij niet in de steek. Wat ook haar
beweegredenen zijn, het maakt mij niet uit. Zij laat mij niet in de steek.
Ik ben ontslagen. Mag weer naar huis. Mijn appartement met
dat mooie uitzicht op de bergen van Doi Suthep. Ik moet nog veel trainen.
Wandelen is het beste. Er is een mooi park in de buurt. Het is koel om deze
tijd van het jaar, ’s morgens vroeg. Ik loop rondjes rond een meertje. Langzaam,
langzaam. Na de eerste keer dat ik werd behandeld voor Guillant Barre in
Holland, ging ik naar een sportschool. Trainen op een lopende band of op een
fiets. Zou ik nu ook kunnen doen. Sportscholen genoeg. Zelfs een in het appartementencomplex.
Maar ik loop rondjes, om het meer, tussen het tropisch geweld aan bomen,
struiken en bougainville. Zij loopt naast mij. Om mij op te vangen als ik mijn
evenwicht verlies. Zij laat mij niet in de steek.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten