zaterdag 16 april 2016

‘Een uur is beter,’ herhaalde zij het aanraden van Madame naar de man die tegenover hen stond. 


De man zag er niet uit. Kalend, dikbuikig, slordig gekleed in een spijkerbroek waarbij het kruis tot net iets boven zijn knieën hing. Hij twijfelde een ogenblik, trok toen zijn schouders op waarbij hij leek te denken van ach, je leeft maar een keer en zei; ‘Oke, een uur dan.’ 

Je moet er maar zin in hebben, dacht ik terwijl ik het tafereel bekeek. Ik doelde op het tengere jonge bruine meisje met haar lange zwarte haren en donkere ogen. De dames lachte hem toe. De vette vis was gevangen, schubben, fileren en de pan in. Madame vroeg of hij de honderd Euro alvast wilde betalen en riep vanachter het kleine barretje in de hoek van de huiskamer het stel veel plezier na. Zij verdwenen via een smalle trap naar de bovenverdieping. Andere meisjes keken het stel na. Op hun gezichten was geen afgunst te lezen. Ik weet niet of ik het goed zag, maar opluchting misschien? 

Opgelucht dat zij niet waren uitgekozen toen hij met een keuringsdienst van waarde blik in zijn ogen de meisjes bekeek die zich her en der op de vloerbedekking onder een dun dekentje verstopt hielden. Alleen hun fijnbesneden gezichtjes waren te zien. Hun koolzwarte ogen. Hun kleine neusjes. Hun lange zwarte haren. Hun volle lippen.

‘Hier,’ zei Madame en schoof een bord “Khao Pad Kai” onder m’n neus. Ik kreeg er een lepel bij. ‘Bier, of water,’ vroeg zij. ‘Och, bier dan maar hè,’ antwoordde ik. Welwillend werd ik bekeken door de meisjes op de vloer.
‘Aroi,’ werd er gevraagd. Ik knikte met een volle mond. ‘Aroi Makma,’ antwoordde ik toen ik weer kon spreken.
Zij observeerden mij alsof een ik Alien was, zojuist geland met zijn ruimteschip in de achtertuin drie verdiepingen beneden ons.
‘Ben je geil,’ vroeg er een. Zij had blijkbaar nog geen klanten gehad en hunkerde naar wat inkomsten. Ik at rustig door en gaf geen antwoord. ‘Mag wel hoor,’ zei Madame. ‘Weet ik,’ zei ik met volle mond. ‘Maar ja, je weet het hè, No Money No Honey.’
‘Jij hebt geld genoeg,’ werd er gezegd. ‘You big money,’ zei de Filipijnse die geen woord Nederlands sprak.

De bel ging. Een nieuwe klant voor een Thai Massage. Na vijf minuten stond hij nahijgend van het beklimmen van de drie etages, in de kamer. Madame had weer plaats genomen achter de bar.
‘Thai Massage,’ vroeg zei. De man zag er nog onverzorgder uit dan zijn voorganger. Maar anders dan zijn voorganger was hij geen twijfelaar. Waar hij voor kwam wist ie precies, te zien aan het gebaar wat hij maakte. Blow-job, las ik. Zijn ordinaire uiterlijk liep synchroon met de manier waarop hij zijn wens kenbaar maakte. Maar niemand scheen er moeite mee te hebben. 
‘Kai,’ riep Madame. Een jonge hyperslanke schoonheid die Kai genoemd werd kwam onder haar dekentje vandaan en liep naar het barretje, taxerend opgenomen door haar klant die het zelfs niet op kon brengen haar te groeten of ook maar even een glimlach te vertonen. ‘Veel plezier,’ riep Madame weer toen zij naar boven verdwenen.

‘Mag ik nog een bier,’ vroeg ik Madame. Zij pakte een flesje uit de koelkast, opende hem en probeerde mijn glas in te schenken.
‘Ho,ho,’ riep ik, ‘laat mij dat zelf maar doen. Ik prefereer een mooie schuimkraag en niet zo’n dood ding. Ben geen Engelsman.’

De bel ging weer. ‘Is het elke avond zo druk,’ vroeg ik.
‘Vrijdag hè,’ zei Madame waarmee het bezoekersaantal verklaard leek.
Via een beeldschermpje verbonden aan een bewakingscamera kon men zien wie er aan de deur stond.
‘Vrouwen,’ werd er met verbazing gezegd.
‘Zijn zeker op zoek naar hun mannen,’ opperde ik.
‘Zal ik opendoen,’ vroeg Madame.
Niemand gaf antwoord.
‘Tuurlijk,’ zei ik ‘open doen.’ Ik was zo nieuwsgierig als de pest wat twee vrouwen hier kwamen doen. Misschien toch gewoon afgekomen op het uithangbord waarop te lezen viel “Thai Massage”.

Madame drukte op het knopje waardoor de deur uit zijn slot ontwaakte en je hem met een lichte duw kon openen. Wij volgden met z’n allen via het beeldscherm wie er de trap op kwamen. De twee dames bleven staan voor de deur die naar de huiskamer leidde.
‘Police,’ vroeg de Filipijnse met angst in haar stem.
‘Ben je bang,’ vroeg ik.
Zij verstopte zich nu volledig onder het dunne dekentje. Er was nauwelijks te zien dat het dekentje iets opbolde door haar lichaam.
   
‘Kom maar binnen hoor,’ riep Madame. En daar stonden zij. Twee jonge meiden in hun winterjas, sjaal om de nek, lange blonde haren en grote gezichten met geprononceerde neuzen. Van top tot teen werden zij opgenomen door de andere meisjes op de vloer liggend en door mij zittend op de bank, hapje voor hapje en slokjes bier drinkend een maaltijd wegwerkend.
‘Wij zijn van de Rutger stichting,’ begon een van de twee. ‘Wij willen graag wat voorlichting komen geven over hoe belangrijk het is om condooms te gebruiken.
‘Ga maar zitten’, zei Madame en wees op de bank. ‘Willen jullie wat drinken?’
Ondertussen trok zij de deken weg waaronder de Filipijnse zich verstopt had.
‘It’s oke,’ zei zij sussend.
Ik schoof een stukje op. Verplaatste mijn bord en bier met mij. Ondertussen bleef de televisie met zijn prominente plaats in de huiskamer, een Thaise soap door knetteren. Madame schonk water in. Een van de twee meisjes knoopte haar sjaal los. De Filipijnse geeuwde hartstochtelijk. De rest was weer verdiept in de soap. Ik at rustig door. En de man van een uur kwam met zijn masseuse naar beneden en ik keek op mijn horloge en zag dat hij voor tenminste een half uur was opgelicht. Vlug vertrok hij.

Soa, ja daar ging het over. Zij stelde condooms ter beschikking. Een hele doos vol. Gratis en voor niks. Madame pakte de doos aan, zei dank u wel en borg de gift op in een kast. De meisjes probeerden nog uit te leggen wat Soa precies inhoudt, deelden foldertjes uit, dronken hun glaasje water leeg en vertrokken weer .‘Dag meneer, eet smakelijk verder. Zag er erg lekker uit.’ De trap aflopend hoorde ik ze giechelen. Ouwe vent in een hoerentent. Of zou het de baas geweest zijn.

Ik was niks. Noch baas, noch klant. Ik was een zwerver met een dak boven zijn hoofd en met het gevoel dat dat dak mij elk moment kon verpletteren. Maar dit zou niet gebeuren. Het was maar een gevoel. Benauwend. Ik moest weg, het huis uit. Elke avond, weg. Naar de stad die mij vertrouwd is. Over de A13. Naar Rotterdam. Ik wilde rondlopen in het oude-noorden. Waar ik geboren ben. Op straat speelde. Ik liep via de Roderijselaan met zijn prachtige Platanen naar de Zwartjanstraat. Sloeg een zijstraat in waarvan ik mij kon herinneren dat hier vroeger op Koninginnedag een podium was opgetuigd en een man met een accordeon liedjes van Johnny Jordaan speelde. En mensen dansten onder de rood wit blauwe vlaggetjes die aan een touwtje van huis naar huis waren gespannen. Het was daar dat ik voor het eerst een meisje kuste. Hoe oud ik was? Twaalf misschien. Zoiets.
 
“Thai Massage”, zag ik. Zomaar in het zijstraatje van de Zwartjanstraat. Een metalen bord tegen de muur gespijkerd. Een stukje Thailand in het oude noorden van Rotterdam. En binnen, Thaise vrouwen natuurlijk. Zo veronderstelde ik. Hun zachte en stevige handen zouden mijn hoofd kunnen masseren. Zij zouden alle slechte herinneringen vervangen voor al het goeds wat ik meegemaakt heb. Daar, in hun thuisland, in Bangkok waar ik werd gewiegd in de armen van Siam. Daar was het ook gelukt.

Ik had op de deurbel gedrukt. Met een zoemgeluid werd de deur geopend en ik beklom de trap voor mij. Voor de deur naar de huiskamer bleef ik staan.
‘Kom maar binnen hoor,’ hoorde ik roepen. Zij stond achter haar barretje met daarop flessen wodka en whisky. ‘Hallo,’ zei zij, ‘komt u voor massage.’ Ik keek de kamer in. Telde in de gauwigheid zes Aziatisch ogende meisjes. Zij lagen op de vloer en keken naar de televisie. Een Thaise soap, herkende ik. 
‘Zoek maar uit hoor,’ vervolgde zij. Alsof ik op een veemarkt terecht was gekomen.

‘M’n hoofd,’ zei ik,’ alleen maar mijn hoofd.’ Ik zei het alsof het een apart ding was. Dat ik het af kon schroeven en voor hen op tafel leggen waar zij dan met belangstelling naar keken voor het aan te raken. ‘Jij wat drinken,’ zei Madame. ‘Jij daar zitten.’ Zij wees op de bank. De meisjes keken met belangstelling hoe ik plaats nam. ‘Jij ook wat eten,’ zei Madame.

donderdag 21 januari 2016

Something

Ik werd wakker van gekreun, gestommel en gedempte stemmen. Er werd licht gemaakt in de hoek van de zaal en ik zag hoe een man vanaf een brancard in bed werd getild. Vier verpleegkundigen , twee mannen, twee vrouwen. De man kreunde nog harder. Hij had pijn. Handig en professioneel pakte het team het aan. Binnen drie seconden lag hij in het ziekenhuisbed, werd hij toegedekt en nog iets tegen hem gezegd. Hierna mocht de familie even bij hem. Een ouder echtpaar. Zij praatten gedempt tegen hem. In het schemerlicht in de hoek van de zaal waren zij silhouetten waar ik naar keek. Wat zij zeiden tegen de man waren ook silhouetten. Onverstaanbaar, onherkenbaar.

Ik lig op een zaal met vier andere patiënten waaraan nu een vijfde is toegevoegd. Vijf patiënten in totaal waaronder twee vrouwen. Mijn ogen gewend aan het schemerlicht en ik probeer de zaal rond te kijken wie er nog meer wakker is. Wakker geworden van het gestommel en het gedempte praten met daarnaast het gekreun. Zo te zien niemand. Ik kijk naar mijn infuus waaruit tergend langzaam druppeltjes in het slangetje verdwijnen die naar mijn rechterarm leidt. Hierin is een naald gebracht afgeplakt met pleisters.

Klaarwakker ben ik nu. Onbeleefd probeer ik het gesprek af te luisteren wat de twee oude mensen voeren met de man. Hun zoon, veronderstel ik. Flarden vang ik op. Een ongeluk, begrijp ik. Op zijn werk. In de haven, begrijp ik ook. Wat en hoe kan ik niet thuisbrengen. Ik hoop dat het bezoek niet lang meer duurt. Dat de twee mensen verdwijnen en het schemerlicht volledig wordt uitgedaan. Misschien dat ik dan weer in slaap val. De schijnbaar eindeloze tijd wat verkort wordt. Het liefst met een mooie droom. Wat wil ik dromen. Over een schoonheid van een verpleegster die zich over mij ontfermt? Donker getint, donkere ogen, ravenzwart haar, sensuele lippen, zachte stem, zachte handen.

Chiang Mai. Tien jaar later. Geen zaal maar een privékamer. VIP, staat er op de deur. Dat ben ik dus; VIP. “Very Important Person”. In een kamer met breedbek televisie, een eigen keuken met toebehoren zoals magnetron. Eigen badkamer en een slaapbank voor geliefde of aanverwanten die willen blijven slapen. Plek genoeg. ’s Nachts word ik niet wakker van een patiënt die wordt binnengebracht, ’s nachts word ik wakker gemaakt door een verpleegster die zich over mij ontfermt. Zij doet dat door mijn bloeddruk te meten, mijn temperatuur en een ding op mijn middenvinger te klemmen waarna zij kan zien via een elektronisch metertje of er voldoende zuurstof in mijn bloed zit. Ik ken de truc en haal een paar maal diep adem.
‘Oke,’ fluistert zij met haar zachte stem. Haar zachte hand glijd even over mijn voorhoofd. Een aai over de bol zogezegd. Een troostende hand, kan het ook zijn. Zij is donker getint, heeft donkere ogen, ravenzwart haar, sensuele lippen. Ik zucht. Mijn zucht is geen gesnurk want ik ben klaarwakker. Mijn zucht uit ik niet in een droom, het is werkelijkheid.

Nog voordat zij weer verdwijnt en het licht uitdoet, kijk ik snel naar het infuus. Tergend langzaam. Ook hier. De enige vergelijking die opgaat. Langzaam, langzaam. Het goedje dat via een ader in mijn arm wordt gebracht is slecht voor de nieren. En wat mij betreft voor de nier want ik heb er nog maar een. Zuinig op zijn, is het devies.

Zuinig op zijn, ja. Op je hele lichaam. Had ik eerder moeten bedenken. Nog een bier? Whisky misschien? Leve de lol. M’n pakje sigaretten is alweer leeg. Snel een nieuwe opengemaakt. Een slokje van mijn sigaret, een haaltje van mijn bier. Of was het nou omgekeerd. Ik weet het allang niet meer. Mijn brein is beneveld. Avond na avond. En mijn lichaam vecht de volgende morgen tegen het gif.

‘U hoeft zich niet schuldig te voelen,’ zei de specialist in het Erasmus Medisch Centrum. 
‘Neuro Endocrine Kanker heeft niks met roken te maken.’
‘Dank u dokter. Ik was ook niet van plan mij schuldig te voelen.’
Schuldig voelen? Nee zeg, nergens over. Spijtgevoel? Ja, volop. Vooral over mijn verkeerde inschattingen naar de medemens.

Heel veel tijd heb ik. Om na te denken. Aan het infuus, bestrijdend de Guillant Barre die mijn spieren teisteren. Een lange weg te gaan, weet ik vanaf de eerste keer in 2006 toen ik dit kreeg. Lopen een lange tijd onmogelijk. Gewoon weer opnieuw leren eigenlijk. Armen loodzwaar. Maanden en maanden doodmoe. Slapen, veel slapen. Lange nachten, en dan de volgende dag ’s middags weer slapen. Het restje leven verslaap ik is mijn gevoel. Alsof ik mijn ogen al voor eeuwig gesloten heb. Ik open ze weer en kijk naar buiten over de stad Chiang Mai. Daar in de straten zindert het. De middagzon brengt de temperatuur ver boven de dertig graden. Hier loeit de airco. Tweeëntwintig graden. En een andere verpleegster komt binnen, een karretje voor zich uitduwend waarop de bloeddrukmeter en nog wat andere attributen en natuurlijk een vragenlijst met gegevens welke zij invult. Zij straalt. Zij houdt van grapjes. Elk compliment die ik naar haar maak ervaart zij als een grapje. ‘Hello Khun Sui,’ zeg ik. Het is geen grapje want zij oogt als Miss World. Mijn bloeddruk is weer iets hoger.

Omstreeks zes uur ’s avonds wordt mijn avondeten gebracht. Niet het eten wat het ziekenhuis biedt, maar mijn Thaise familie staat op de drempel en brengt Hamburgers en patat. Zo van de Mc Donalds. En fruit brengen zij, ter compensatie van het ongezonde Mc Donalds voedsel. Allemaal zijn zij er. Man, vrouw en de twee kinderen. Rondom mijn bed. Alleen de echtgenote spreekt wat Engels, de rest kijkt medelijdend en zorgelijk naar mij. Ik leg uit dat het allemaal wel goed komt. Dat het een tijdelijk iets is. Het wel weer over gaat. Dat ik de volgende dag ga beginnen met de fysiotherapie. Kortom, dat ik mijn eerste pogingen ga doen weer te lopen.

‘I’ll come tommorow,’ zegt zij. ‘Look at you.’
Ik glimlach. Zij laat mij niet in de steek. Wat ook haar beweegredenen zijn, het maakt mij niet uit. Zij laat mij niet in de steek.

Ik ben ontslagen. Mag weer naar huis. Mijn appartement met dat mooie uitzicht op de bergen van Doi Suthep. Ik moet nog veel trainen. Wandelen is het beste. Er is een mooi park in de buurt. Het is koel om deze tijd van het jaar, ’s morgens vroeg. Ik loop rondjes rond een meertje. Langzaam, langzaam. Na de eerste keer dat ik werd behandeld voor Guillant Barre in Holland, ging ik naar een sportschool. Trainen op een lopende band of op een fiets. Zou ik nu ook kunnen doen. Sportscholen genoeg. Zelfs een in het appartementencomplex. Maar ik loop rondjes, om het meer, tussen het tropisch geweld aan bomen, struiken en bougainville. Zij loopt naast mij. Om mij op te vangen als ik mijn evenwicht verlies. Zij laat mij niet in de steek.

    

zaterdag 28 november 2015

Baby, you’re a Rich Man





De huwelijksplechtigheid vond plaats in de tuin van het “Rati Lanna hotel” en was door een fantasierijke architect onderhanden genomen zodat het Efteling gehalte naar een nog hoger plan werd getild. En dit was terecht want een huwelijk is niet zomaar iets, maar een verbintenis die buiten de zakelijke aspecten om iets weg heeft van een sprookje.


“Twee mensen die zich voor altijd aan elkaar verbinden tot de dood hen scheidt”.
Hoe romantisch. En wat het nog romantischer maakte, in dit geval dan, dat het scheiden door de dood niet eens zo gek lang hoefde te duren want de bruidegom was zevenentachtig en zijn bruid zevenendertig jaar jonger zodat de eerste huwelijksnacht al gezien moest worden als een buitengewoon riskante onderneming.

De bruidegom had natuurlijk makkelijk een nog veel jongere vrouw tot zijn echtgenote kunnen nemen, wat viel af te lezen op de gezichten van het aantal jonge Thaise vrouwelijke gasten die met ietwat jaloerse blikken de bruid bekeken met de onderliggende gedachte dat zij wel de buit binnen had terwijl zij nu slechts gasten waren. Maar hij had op zijn leeftijd al genoeg gezien en meegemaakt om te weten dat het huwelijksgeluk met een nog veel jongere vrouw misschien wel al te duidelijk op zijn vermogen was gebaseerd.

Er waren naast alle Thaise vrienden en familieleden ook Farangs uitgenodigd die bijna allemaal de Duitse nationaliteit hadden en net als de bruidegom nu, getrouwd waren met een Thaise vrouw. Strak in het vel zittende schoonheidskoninginnetjes en minimaal dertig jaar jonger dan hun echtgenoten, die overigens zelf nog zo’n twintig jaar onderdeden tot het feestvarken.

De kersverse bruid en de al jaren met Farangs getrouwde vrouwen stralen van geluk nu zij het leven hebben gekregen dat zij zich wensten gebaseerd op de verzekering dat hun in de toekomst financieel gezien niets meer kan gebeuren. En hiermee zijn zij het voorbeeld voor velen die de Farang zien als het redmiddel uit hun vaak miserabele bestaan met een weinig florissante toekomst. Hoe Thaise vrouwen ooit zover gekomen zijn om zielsverwantschap te zoeken met een man uit een totaal andere cultuur en die in jaren best hun vader of zelfs opa had kunnen zijn, ligt waarschijnlijk in het feit dat de Farang man in vergelijk met een Thaise man een totaal andere morele eigenschap bezit welke gebaseerd is op het Calvinisme. Huwelijkse trouw staat voorop, zorgzaamheid als het gaat om financiële zaken is een bijna net zo’n belangrijk gegeven en . . . hij blijkt een romanticus.

‘Farangs zijn zo romantisch’, zegt Kai enkele dagen na het huwelijksfeest van haar vriendin. Zij schenkt zichzelf nog een glas rode wijn in wat haar lippen losmaakt en zij prettig vindt want dan heeft zij eindelijk geen gêne meer om het Engels te hanteren. Ik zit bij haar op het terras van haar huis wat duidelijk is ontworpen en gebouwd door een westerling gezien de grootte van de woonkamer en de indeling. Haar huis is smaakvol ingericht. Een antieke kast, marmeren vloer met hier en daar een tapijt, een echt bankstel, een boekenkast, salontafeltje . . . ongewoon voor een Thais interieur waarvan het huis zich bevindt tussen de boerengemeenschap even buiten Meo Jo.

Ik heb spaghetti bij haar gegeten die niet onderdeed voor wat je in een Italiaans restaurant voorgeschoteld krijgt en er wijn bij gedronken uit een kartonnen doos waarvan de inhoud absoluut leeg moet wat wij zittend op het terras aan het proberen zijn. 
‘En wat maakt Farangs zo romantisch’, is mijn vraag want in mijn opinie kunnen dat misschien onze zuid-Europese medebroeders zijn, maar in een Hollander of Duitser zie ik niet zo snel een romanticus.
‘Farangs zijn lief’, antwoord zij eenvoudig. ‘Zij draaien zich niet onverschillig om als je gevreeën hebt, maar hebben dan nog steeds aandacht voor je. Dat is bij een Thaise man anders. Zij hebben alleen maar aandacht als zij iets van je willen, daarna is het afgelopen. Voel je je een wegwerpmiddel.’

Ik kan mij er nauwelijks iets bij voorstellen dat zij ooit behandeld is als een wegwerpmiddel. Zij is ronduit knap. Een schoonheid zo te zeggen. Ik kan mij voorstellen dat haar vijfendertig jaar oudere man haar niet als een wegwerpmiddel beschouwt, alhoewel er toch iets niet in orde is. Wat zij haar man noemt is een met een andere Thaise vrouw getrouwde Europeaan. Zij is niets meer dan zijn Mia Noi, zijn bijvrouw. Misschien dat hij daarom zoveel aandacht voor haar op kan brengen als hij bij haar is. Hij woont niet samen met haar, heeft slechts een huis voor haar laten bouwen waar zij naar Thaise maatstaven luxueus kan wonen. Hij komt langs wanneer hij zin heeft. En wanneer hij zin heeft is hij de romanticus. Zij hoeft zich ook geen zorgen te maken over geld. Hij regelt het.

Tja, romantisch. Ik vraag mij af of zij meerdere ervaringen heeft met Farangs en hun romantiek. Ik durf het niet aan haarzelf te vragen want ik weet hoe pijnlijk het soms kan zijn voor een jonge Thaise vrouw om over haar verleden te praten. Thaise vrouwen delen niet graag hun verleden zoals zij dit gehad hebben. En al helemaal niet als zij net als die duizenden anderen ook in massagesalons hebben gewerkt, hotelkamers hebben bezocht of gewoon als bargirl in Pattaya of noem nog eens zo’n stad waar het leven zich op de rand van het suïcidale afspeelt. Zou de blanke echtgenoot het verleden van zijn soulmate kennen? Zou zij het hem ooit verteld hebben? Of hangt dat rookgordijn er nog steeds om de zielsverwantschap niet te verstoren. Zou hij zijn mond er over houden en nooit vragen stellen omdat het hoe dan ook te pijnlijk is om er over te praten? Te pijnlijk om te vertellen dat je als wegwerpmiddel bent behandelt door je Thaise man die het na een paar jaar wel gezien had en je achter liet met een paar kinderen zonder zelf nog enige verantwoordelijkheid te dragen. Te pijnlijk om te vertellen dat je volkomen tegen je eigen cultuur in jezelf verkocht hebt voor de broodnodige Baht’s om een hele familie te laten overleven.

‘Weet zijn vrouw van je bestaan’, vraag ik.
‘Ja hoor’, antwoord zij. ‘Maar zij wil niet van hem scheiden. Zij is al oud. Zevenenveertig. Zij maak geen enkele kans meer als zij gescheiden zouden zijn’.
‘Zou jij het willen, dat hij ging scheiden en voor altijd bij jou kwam wonen’, vraag ik door.
Zij moet er erg over nadenken alsof zij voor zichzelf voor het eerst die vraag stelt.
‘Nee’, zegt zij uiteindelijk, ‘het is goed zo. Ik ben er al aan gewend een Mia Noi te zijn. En dat heeft veel voordelen. Veel vrijheid. En hij zorgt goed voor mij. En als hij hier is, dan is het romantisch, vol van liefde. Ik weet niet of dat zo zou blijven als hij altijd hier zou wonen.’ 

Maar wat zij zegt komt niet overtuigend over. Lichaamstaal zegt veel. Zou haar ideaal niet daar liggen waar elke Thaise vrouw, of misschien wel elke vrouw haar ideaalbeeld heeft. Huisje, boompje, beestje, een man die voor je zorgt, zijn hart en ziel daarin legt zodat je hem uiteindelijk kunt castreren en opeten. De natuur is nou eenmaal een merkwaardig iets. En er is veel natuur, hier in Thailand.  


donderdag 26 november 2015

Gimmie shelter



Via de zijspiegel van mijn auto zie ik haar staan. Net als ik geduldig wachtend, of toch misschien net als ik niet zo geduldig, zich ergerend aan het veel te lang op rood staande stoplicht terwijl er geen verkeer meer te zien is op het kruispunt. Ik kan er maar niet aan wennen, zeg regelmatig hardop hoe stompzinnig die stoplichten zijn afgesteld en dat zij de oorzaak vormen voor die eindeloze files hier in Chiang Mai.


Zij kijkt niet ongeduldig, valt mij op. Zij lacht. Haar vriendin die achter haar staat roept iets. Zij schatert nu. Aan het stuur van haar motobick heeft zij drie ballonnen gebonden, gevuld met gas want zij verkeren een halve meter boven haar. Het draadje doorknippen en de ballonnen zouden hoog de vrije lucht in verdwijnen, meegenomen door een zwakke wind.

Ik bestudeer haar. Zij draagt geen helm zodat ik kan zien dat zij haar zwarte haren heeft samen gebonden in een paardenstaart waarin een wit lint. Zij draagt ook een witte blouse en heeft een zwarte vlinderdas. Jarig? vraag ik mij af. Onderweg naar een restaurant om het te vieren? Hoe oud zou zij geworden zijn? Leeftijden schatten hier is moeilijk. Ik waag het erop. Tweeëntwintig. Als zij iets naar voren zou komen, ter hoogte van mij, zou ik het raampje open doen en het haar vragen. Happy Birthda, zou ik zeggen. En dan, How old are you now? Misschien twee antwoorden. Yes, it’s my birthday and I’m twenty two now. Dan heb ik het goed ingeschat. Bravo jongen. Hierna zou ik nog kunnen vragen waar zij naartoe gaat, misschien naar een restaurant om haar verjaardag te vieren . . . of. Ik krijg hier allemaal de kans niet voor. Zij is niet in staat om verder op te rukken naar de stopstreep en op die manier naast mij te komen. Wachten. 
Wachten totdat die domme tijdklok die het rode en groene licht aanstuurt zover is verandering toe te laten in de situatie.

Haar vriendin roept weer wat want weer zie ik haar breeduit lachen. Leuke kop heeft ze. Best ook wel een mooie vorm. Eigenlijk is zij gewoon knap. Een snoepie. Het maakt het wachten in mijn zijspiegel kijkend een stuk aangenamer. Het lijkt een beetje op die keer dat ik door overboeking op mijn vlucht van Bangkok naar Amsterdam first class werd geplaatst. Ik vond het bijna jammer toen we op Schiphol landden. Zoals ik het nu bijna jammer zou vinden als het licht op groen springt.

Het licht springt op groen. Het verkeer komt in beweging. Eerst al die motobicks die voor die twee rijen lange sliert auto’s hebben plaats genomen. Dan komt tergend langzaam de rest op gang. Ik ook en zie hoe zij met haar ballonnen aan het stuur mij rechts passeert, ruimte hebbend vol gas op het kruispunt afstuurt, op naar de party, het restaurant of wat dan ook, naar familie en vrienden, happy birthday to you. En dan knalt zij vol op een pick-up die van links uit de file komend heeft besloten rechtsaf te slaan. Ik zie haar over de laadbak heen vliegen alsof zij is gelanceerd. Ik zie de man in zijn pick-up zijn deur openen en opzij naar achteren kijken. Hij moet het wrak van een motobick zien liggen. Verkreukeld. Het moet hem opvallen dat er geen bestuurder te zien is. Hij twijfelt. Uitstappen of doorrijden. Ik zie het aan hem. Ik zie in een miniseconde dat hij alleen zijn eigen schade inschat wat herstelt en betaalt moet worden. 

Ik verlaat mijn auto, loop om de pick-up heen naar het meisje wat gelanceerd verderop op het asfalt ligt. Zij heeft schaafwonden. Op haar armen, haar benen, op haar hoofd. Het bloed. Dat mooie gladde lichtbruine huidje bloed. Haar vrolijke gezicht is vertrokken van pijn. Haar witte lint in het haar kleurt rood. Haar witte blouse eveneens. Ik buk naast haar. Probeer vast te stellen hoe ernstig het allemaal is. Andere mensen hebben nu ook naast haar plaats genomen en kijken op haar neer, vol belangstelling of zij dit gaat overleven. 

Hospital, roep ik. Police, roep ik ook. No, no, zegt de man van de pick-up die nu ook naast haar staat. No police. I pay, I pay. Maar het is al te laat voor hem. Iemand bij zijn positieve heeft zowel de politie als een ziekenhuis gebeld. In de verte horen we de sirenes. You go, you go, zegt een man tegen mij. You farang. You big trouble. Why, wil ik hem vragen. You farang, you have big money, antwoord hij. Not that man, en hij wijst op de bestuurder van de pick-up. Stay in your car. Farang always stay in your car. Met tegenzin en met een hopeloos gevoel neem ik zijn raad aan. Loop weg van het meisje en neem plaats achter het stuur. Het liefst had ik haar direct op de achterbank vervoert naar een ziekenhuis. Met hierna waarschijnlijk een schuld aan mijn broek van honderdduizend baht. Wat zou het.

Aan de strak blauwe hemel zie ik drie witte ballonnen omhoog zweven. Happy Birthday. En sluit mijzelf op in mijn appartement. Denkend dat zij het niet overleeft.