vrijdag 6 februari 2015

I’m the Walrus




Nou weet ik het, dacht ik vanmorgen toen ik het nieuws zag via BVN met een item dat handelde over de hongerwinter van zeventig jaar geleden. Toen mijn moeder zwanger van mij was. Het komt daardoor dat het in mijn hoofd niet in orde is. Bij gebrek aan de juiste voeding hebben de verschillende organen van de foetus niet de kans gekregen om zich goed te ontwikkelen. En dit is nog maar dat. Nee, ook de hersenen zijn in de ontwikkeling achtergebleven. 


Kijk, zo heb ik nou eens een mooi argument waarmee ik mijn vrouw het e.a. kan uitleggen, vooral dat ik er niks aan kan doen maar dat het de schuld is van die Duitsers en dat de afstammelingen van die Duitsers nu in ruime mate tot haar vriendenkring behoren. Bij hen moet zij dus zijn met haar kritiek op mij, ik ben een onschuldig oorlogsslachtoffer.

Zij zit tegenover mij, de armen over elkaar geslagen en heeft zojuist weer haar vragenvuur op mij losgelaten met daarbij op voorhand de conclusie dat ik een in en in slecht mens ben, in die zin een ontrouwe leugenaar, een puber, flierefluiter, onvolwassen, niksnut, fantast, ongevoelig voor haar verdriet . . . kortom, niks voor haar. 

Ik hoor het aan, kan er geen speld tussen krijgen, maar ja ‘k kan er niks aan doen, ik ben oorlogsslachtoffer. En dit ga ik haar eens haarfijn uitleggen. Zij luistert, wat ik op zich al  een grote sprong voorwaarts vind, en buigt voor een moment het gesprek niet om in haar richting. Het is meer waarschijnlijk dat ik haar aandacht weet vast te houden omdat ik spreek over de second War, zoals zij de tweede wereldoorlog noemt, dan dat zij geïnteresseerd is hoe ik als foetus heb moeten lijden. Negen maanden lang! Als ik mijn excuses over het hoe en waarom heb gedaan, vooral de nadruk leggend op mijn onschuld, barst zij in lachen uit. M.a.w. zoveel baarlijke nonsens heeft zij lang niet meer gehoord, terwijl zij is een Thaise, dus wel gewend aan kulverhalen, maar zo te zien spant mijn verhaal de kroon. Nou dan niet, denk ik. 

Kan zij gedachte lezen? Misschien wel. Per slot verblijf ik in het verre Oosten en wemelt het hier van de geesten, goede en kwade die haar gedachten beïnvloeden, en kunnen overleden familieleden via dromen met haar praten en haarfijn vertellen hoe het allemaal zit. Met mij dan. Kijk, ik ben de eerste die toegeeft dat ik een slapjanus ben die maar een Thaise vrouw hoeft tegen te komen die hem meer dan vriendelijk toelacht, en mijn overjarige hormonen beginnen op te spelen en gaan mijn door de hongerwinter onderontwikkelde hersens beheersen. Zo’n Thais kreng weet hier handig gebruik van te maken want ik ben bepaald niet de eerste die zij op zo’n manier om haar vingers probeert te wikkelen waarna dan het leegschudden zijn aanvang kan nemen.

‘Zat zij daar,’ vraagt mijn goede vriend Chanaka bij wie ik zojuist boete heb gedaan met mijn verhaal. Hij wijst op de passagiersstoel van mijn auto en zijn lach is als een vette knipoog. De schriele oude man van even in de tachtig die weet waar Abraham de Mostert haalt. Uiteindelijk was ik maar bij hem langs gegaan want hij als volbloed Thai moet toch bekend zijn met het fenomeen Mia Noi en hoe daar door Thaise echtgenotes op gereageerd dient te worden.

Het belangrijkste vond hij echter hoeveel geld het mij zou schelen als mijn vrouw er de brui aan gaf en mij zou verlaten. Al snel lag er een A-viertje voor zijn neus en schreef hij getallen, telde op en trok weer af, deelden en vermenigvuldigden en ik bleek een man in bonus. Dus moest ik hem duidelijk maken dat daar bepaald niet de pijn of het toekomstig geluk lag, maar dat ik er meer van uitging dat het te maken had met mijn onderontwikkelde hersens en dat deze mij mijn hele leven lang al in de weg zitten. Kortom, ik ken niemand die zichzelf zoveel schade heeft berokkend dan ikzelf. Hij barste in lachen uit.

‘You have money. You have in no time other girl. I’m not. I don’t have money.’

Is dit nou de simpele gedachte van een boeddhist, vroeg ik mij af, of de wijsheid van een man van over de tachtig. Ik probeerde hem nogmaals uit te leggen dat ik vreselijke spijt had van mijn daden, vooral ook omdat ik nu als resultaat hier de wrange vruchten van moest plukken en dat mijn leven is veranderd in een eenzaam bestaan. De lach op zijn gezicht leek met geen enkele dramatische zin van zijn gezicht te poetsen. Eerder leek het hem, zoals ik vermoedde, dat het leven zonder vrouw in huis hem de hemel op aarde zou brengen.

‘Zat zij daar,’ sloeg dus op mijn kleine lieve leugenaar die mij eveneens aan de kant heeft gezet omdat zij niet opgewassen bleek tegen de furie, wat mijn vrouw soms kan zijn. ‘Ja, daar zat zij. Soms. Als ik een ijsje met haar ging eten. Een coffeeshop bezocht, stiekem een hotelletje. Ja dan zat zij daar. Hield mijn hand vast terwijl ik met een hand aan het stuur mijn limousine door het Thaise verkeer loodste. Op het moment dat mijn onderontwikkelde hersens er niet eens over nadachten dat wat ik deed behoorlijk fout was, erger, stompzinnig, grof, egoïstisch . . . vul maar in, wanneer je je hormonen achterna loopt.

Dus wat was ik blij met het item via BVN. Het is gewoon mijn schuld niet. Het komt door de hongerwinter. Toen mijn moeder zwanger van mij was. Hoe dat eigenlijk gebeurd is, die zwangerschap, heb ik mij wel eens afgevraagd. Volgens mij zat mijn vader tijdens de conceptie als tewerkgestelde in Duitsland. Misschien heb ik niet alleen het uiterlijk geërfd van mijn moeder, maar nog veel meer. Dubbel onschuldig, zou ik zeggen. Maar zeker weten doe ik het niet. Misschien is het wel zo:


I’m he as you and me and you and he and we are all together.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten