maandag 6 april 2015

There’s a Place


 ‘Kijk eens’, zeg ik, ‘real from Chaing  Mai,’ en overhandig het plastic tasje, waarin zich twee zijde sjaaltjes, tien stukjes heerlijk geurende zeep, wat kleine Boeddha beeldjes en nog wat ander prularia bevindt. Gekocht op de “Night Bazaar” speciaal voor mijn verpleegsters in het Erasmus MC te Rotterdam. 



Elk jaar neem ik iets voor hun mee waarmee ik mijn goede verstandhouding met het verzorgend personeel in stand probeer te houden. En zoiets helpt. Denk ik tenminste en wordt mijn bloed op een geheel andere wijze afgenomen dan bij willekeurig welk andere patiënt, vullen zij een vragenlijst in die ook vriendelijker en toegeeflijker is en praten voluit over zichzelf op een vertrouwde manier waarbij ik meer gezien word als een goede vriend dan patiënt.
Het zijn de kleine dingen die het ‘m doen, zoals ik geleerd heb in Thailand zelf waar je bij een bezoek aan een Thaise familie maar iets onbenulligs mee hoeft te nemen om als belangrijke gast beschouwd te worden.

Hier, in het Erasmus word ik door twee verpleegsters als belangrijk beschouwd, ben ik de lieve oude man die helaas lijdt aan een ongeneeslijke ziekte – welke in zijn afkorting NET genoemd wordt – en hebben voor de lieve oude man een diep respect omdat hij ondanks zijn ziekte nog steeds zo vaak op reis gaat. En dan wel naar de andere kant van de wereld.

Wat zij niet doorhebben, en ik wijselijk voor mij houd, dat die lieve oude man met zijn ongeneeslijke ziekte een aantal malen per week aan de andere kant van de wereld op een golfbaan te vinden is en daar diverse caddies het hof loopt te maken met zijn leugens over zijn vermogen, zowel financieel als fysiek.

Mijn verpleegsters zijn helaas in tegenstelling tot de verpleegsters in het RAM Hospital in Chiang Mai hier niet van hetzelfde kaliber, waarbij elke verdoving tegen welke pijn dan ook overbodig is. Een half uurtje op de pijnbank voor een drainwissel in mijn linker nier bijvoorbeeld, gaat altijd zonder verdoving, zowel in Rotterdam als in Chiang Mai. Het verschil is dat in Chiang Mai tijdens de behandeling er een zuster is die je hand vasthoudt en je in Rotterdam dood kunt vallen. Dit heeft er in Rotterdam wel toe geleid dat ik de behandelend chirurg die het karweitje op mag knappen al heel wat zeemansknopen heb geleerd waar hij hopelijk zijn voordeel mee kan doen.

Uit het plastic tasje wordt het kleinood met veel Oh’s en Ah’s gehaald en krijg ik van de twee verpleegsters als dank hiervoor drie kussen op mijn wangen. Iets wat in Thailand nooit zal gebeuren, maar waar ik het vasthouden van mijn hand prefereer boven de drie, in totaal zes smakken die ik hier te verwerken krijg.

Hoe het met mij gaat. Prima, lieg ik er lustig op los want zo prima vind ik het hier niet, in dit klimaat van onderkoeling en een op dat moment voortrazende voorjaarsstorm. Maart roert zijn staart, luidt het spreekwoord. Die ene zwaluw heb ik in ieder geval nog niet gezien en dat beest is toch ook een spreekwoord waard. 
‘Was het warm’, vragen zij. 
‘Nogal ja. Om deze tijd van het jaar kun je maar beter weg wezen. Maar om tegelijk in het totaal tegenovergestelde terecht te komen is ook geen feest.’ 
‘Nee, erg hè’, zeggen zij in koor. ‘Vorig jaar om deze tijd was het beter.’

Vroeger was alles beter, denk ik als de lieve oude man. Toen ik jullie nog niet kende, niet hoefde te kennen trouwens, misschien tegen was gekomen in een kroeg, een kletspraatje met jullie was begonnen waarin ik er van harte op los zou fantaseren over mijn vermogen, zowel financieel als fysiek. Zou ik nu nooit meer doen. Te oud voor, den dagen zat.
‘Hoe woont u daar’, vragen zij welhaast in koor. O groot genoeg om jullie uit te nodigen voor een logeerpartij, denk ik, maar vertel dat het een condo is met een oppervlakte van zo’n 50 vierkante meter in een appartementencomplex in het centrum van Chiang Mai. 

‘Leuke stad’, vragen zij. 
‘Heel leuk ja.’
Tenminste. Je moet er aan gewend zijn. Die chaos, de hitte. Dat volk met die op geld beluste blik in hun ogen. Die quasi-beleefdheid. Die quasi-onderdanigheid. Hun asociaal rijgedrag op hun motobikes, in hun pick-ups, sedan of noem maar.
‘Nee leuke stad, leuke restaurants, leuke terrassen, lekker eten overal, aardige mensen, erg voorkomend, goeie bediening en vooral, zo goedkoop hé.’ 
In hun blikken zien zij de terrassen vol zitten met goed geklede mensen achter heerlijke Thaise maaltijden. Voelen zij de temperatuur van een tropennacht. Horen zij traditionele volksmuziek welk uitgevoerd door een traditioneel orkestje en zien zij een opvoering van traditionele danseressen in traditionele klederdracht.
Een zootje als vrouw verklede mannen die een show opvoeren op de keiharde beat van een niet al te best spelende groep bij elkaar geharkte muzikanten, zullen ze bedoelen. Met op de terrassen in korte broek getooide kerels in mouwloze hemdjes, de huid versierd met allerlei tatoo’s, een ponytail en dikke buiken en open gekrabde muggenbeten op de onderbenen met naast zich een snol van het zuiverste water, over het algemeen dertig jaar jonger.
‘Ik zou het best wel eens willen zien, Chiang Mai’, zegt een van de twee dromerig. ‘Is het lang vliegen?’ Is het lang vliegen. Tja, als je van de twaalf uur er acht niet bewust meemaakt door te slapen valt het wel mee. Dit is mij nog nooit gelukt en ik lijd twaalf uur, starend naar het beeldschermpje voor mij waarop de af te leggen route wordt geprojecteerd.

De lieve oude man houdt al deze informatie maar voor zich. Waarom zou hij andermans droom verstoren? Per slot ben ik er zelf ook ooit ingetrapt en heb ik wijze lessen mogen leren die bepaald niet van Boeddha afkomstig waren, maar meer uit de zelfkant van het leven.

De twee proberen de door mij meegebrachte sjaaltjes en geven mekaar complimenten: Wat staat jou dat leuk. Past echt bij je. Ik kijk naar hen met een welwillende blik. Waarom niet. Het hele spul in het plastic tasje heeft mij nog geen vijfhonderd baht gekost terwijl zij misschien het vermoeden hebben dat het hier gaat om een groot en duur cadeau. Zo kent Thailand toch wel wat voordelen in prijsvergelijking met Holland.

Verder vraag ik mij af wat die andere voordelen toch zijn om daar bijna het hele jaar te wonen. Klimaat? Ja, tijdens de wintermaanden. De rest van het jaar is het toch maar een zompig warm tot heet gebeuren die op z’n minst je halve dag verpest, binnen zittend bij een loeiende airco.
Wat dit betreft is het net Holland, maar dan in tegenovergestelde richting, waar je ook van binnenpretjes moet houden om de dagen door te komen. De kosten van levensonderhoud? O, dat zeker. Vele malen goedkoper dan in Holland, maar al lang niet meer zo goedkoop als het ooit was. Ook in Thailand is het tegenwoordig oppassen hoe je je geld uitgeeft.

Ik zit nog steeds in de speciale stoel waar zij je bloed aftappen, je bloeddruk opmeten, je de vragen stellen waarvan de antwoorden , nee niet moe, nee geen diarree, ja goeie eetlust, ja goeie nachtrust . . . op de vragenlijst worden ingevuld, terwijl alles allang achter de rug is.
Het lijkt er op dat de twee geen enkele haast hebben een volgende patiënt uit te nodigen. Of zou er geen volgende patiënt zijn? Of niet meer zijn. Allang overleden aan dezelfde aandoening bijvoorbeeld. Zo iemand die het geen tien jaar vol heeft gehouden. Die zich teruggetrokken heeft achter de geraniums wachten op het onvermijdbare.
Die keuze had ik ook kunnen maken natuurlijk. Tien jaar geleden. Maar ik ging terug naar Thailand. Naar het liefste sociaal gevoelig medelevende volk dat er bestond. Wist ik veel. Maar toch weet ik, als ik die stap niet had gedaan, ik hier niet meer in een stoel had gezeten met twee verpleegsters om mij heen die uit een plastic tasje allerlei prullaria staan te halen gekocht op de ‘Night Bazaar’ in Chiang Mai.


‘There’s a Place’ neurie ik zachtjes deze oude Beatle song en zie de verpleegsters de Boeddhabeeldjes naast elkaar zetten op het tafeltje waarop ook mijn buisjes afgetapte bloed verkeren.   


Geen opmerkingen:

Een reactie posten