‘Is dit de wachtkamer voor een CT scan?’ Het eerste wat ik denk: wat moet een nog jonge vrouw met een CT scan? Dat hoort bij ouwe van dagen. ‘Aan het eind van de groene lijn, zeiden zij tegen mij.’ ‘Zo te zien is hier het eind van de groene lijn dus zal het wel goed zijn. Denkt u ook niet?’ antwoord ik.
Ik besef dat mijn antwoord
klinkt als een geïrriteerde zure
ouwe man die het niet uit kan staan dat mensen hem naar de bekende weg vragen.
Om een praatje verlegen natuurlijk. Ik doe alsof ik verdiept ben in “Arts en
Auto”. Niks praatje. Aan moeten horen zeker waarom zij een CT scan moet hebben.
Dat de dokters, nee specialisten voor een raadsel staan. Wat!? De hele medische
wetenschap. Zij weten geen raad. Haar ziekte wordt natuurlijk ook al beschreven
in de diverse medische tijdschriften. Zowel nationaal als internationaal. Er
zijn al veel discussies gevoerd over behandel methode. Er vliegen dagelijks via
het “World Wide Web berichten over en weer.
Met een zucht
neemt zij plaats tegenover mij op een blauw plastic stoeltje. De zucht van
tomeloze ellende die haar al jaren achtereen volgt en waar geen kruid tegen
gewassen lijkt. Uit haar lange zwarte winterjas pakt zij haar mobieltje en
begint, of haar e-mails door te nemen of gewoon Candy Crush te spelen. Om het
even, een mobieltje laat tegenwoordig alle oude kapot gebladerde magazines met
rust. Nutteloos en triest liggen zij op een stapeltje te wachten totdat er
iemand de wachtkamer betreedt die geen mobieltje bezit, of een mobieltje waarop
geen e-mail te lezen valt of Candy Crush te spelen. Ik behoor tot de groep die
dan misschien wel een van de eerste was met een mobiel, -in mijn maag gesplitst
door mijn toenmalige werkgever- maar verder ben ik nooit gekomen.
Ik probeer “Huis
en Tuin”. Snel blader ik ‘m door. Ik heb geen huis en tuin waardoor mijn
interesse al snel verlegt wordt naar de “Story” met hierna de “Privé” en bekijk
foto’s van Neerlands grootste onbenullen samengevat in het woord BN’ers. Brood
en spelen, da’s wat het volk wil, en sla het blad weer dicht. Misschien dat de
wachttijd beter te doden valt met een mobieltje waarop je je e-mail kunt
checken of Candy Crush kunt spelen. Nog beter zou zijn, vele malen beter zelfs,
als ik een geanimeerd gesprek zou kunnen voeren met een jonge mooie vrouw dat
wacht op een CT scan. Maar de vrouw naast mij is misschien dan een nog jonge
vrouw, zij is verre van mooi.
Haar haar is bijvoorbeeld hoog opgeknipt en
vertoond zowel de kleuren oranje als geel. Zij heeft een bol gezicht met
appelwangen en haar neus lijkt op die van een bokser die een aantal klappen
niet op tijd heeft kunnen ontwijken. Om over haar lijf maar niet te spreken,
wat zover ik het in een oogwenk heb kunnen zien toen zij binnenstapte, een ware
gelijkenis vertoont met een slagschip.
Vanachter de “Metro”, de gratis krant
met het korte nieuws, bespiedt ik haar. Niet bepaald een beeld waar mijn ogen
de laatste jaren aan gewend zijn geraakt. In de wachtkamer van het RAM Hospital
in Chiang Mai bijvoorbeeld, daar heb je geen magazine of mobieltje nodig om de
wachttijd en de verveling te verdrijven. Daar kijk je gewoon rond en ziet de
ene miss World na de andere, al of niet wachtend op een CT scan, of een
check-up van de al in uitstekende conditie verkerende body. Maar je kon er
nooit een geanimeerd gesprek mee beginnen om de doodeenvoudige reden dat zij je
niet of nauwelijks verstonden, en als dit per ongeluk wel het geval was wist je
van tevoren dat het geanimeerde niet verder zou komen dan wat oppervlakkigheden
die even ver liggen van een diepgaand gesprek over de zin van het leven als het
secundaire universum van onze planeet.
Plots kijkt de
jonge vrouw op van haar mobiel en vraagt: ‘komt u ook voor een CT scan?’ ‘Nee
mevrouw,’ probeer ik zo vriendelijk mogelijk, maar laat na waarvoor ik wel kom.
‘O, nou ja, ik dacht, misschien is het niet de eerste keer dat u zoiets laat
doen. In dat geval had u mij kunnen vertellen wat mij te wachten staat.’ ‘Hebben
zij het u niet verteld dan?’ Er bekruipt mij een satanisch gevoel van pesterij
waarin al mijn haat tegen mijn omgeving ligt opgeslagen, tegen het klimaat
waarin ik verblijf, de uitzichtloosheid van mijn bestaan waar ik maar geen
controle over kan krijgen.
‘Nou,’ begin ik, ‘u krijgt een naald in uw arm waar
een hele raffinaderij aanzit met kranen en leidingen. Deze wordt ingebracht
door een zuster terwijl een andere zuster u stevig vast houdt want echt
pijnloos is het niet en u krijgt misschien de neiging wild om u heen te slaan.
Hierna moet u liters water drinken waar zij wat doorheen gemengd hebben wat op
z’n zachts gezegd nogal smerig smaakt. Hierna wordt u naar de scanner gebracht,
gaat u op een soort tafel liggen, wordt u aangesloten op die raffinaderij in uw
arm, de armen boven uw hoofd uitgestrekt, en laten zij contrastvloeistof via
die raffinaderij bij u naar binnen lopen, waar je overigens vreselijk misselijk
van wordt. Hierna moet je zo ongeveer vijf minuten je adem in kunnen houden
terwijl de scanner op enkele millimeters over je heen walst. Ja, je moet geen
last hebben van claustrofobie. Voelt u zich niet goed?’
De vraag: voelt u zich
niet goed, had ik graag willen stellen, maar het tegendeel was zichtbaar. Zij
barste in lachen uit. ‘Wat bent u een leuke ouwe baas,’ riep zij uit terwijl de
tranen haar over haar bolle appelwangen liepen. ‘Leuke ouwe baas!? Riep ik uit.
‘Mevrouw, meestentijds woon ik in Chaing Mai, Thailand, het verre oosten, aan
de andere kant van de wereld zoals u misschien weet. Ik heb daar een speeltje
dat achtentwintig jaar jonger is dan ik en als ik wil ruil ik haar in voor een
ander speeltje vierendertig jonger dan ik.’ De vrouw lacht nu nog harder. ‘Nu
weet ik waarvoor u komt. Een hersenscan. Heb ik het goed?’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten