woensdag 1 april 2015

When I get older loosing my head



‘Is dit de wachtkamer voor een CT scan?’ Het eerste wat ik denk: wat moet een nog jonge vrouw met een CT scan? Dat hoort bij ouwe van dagen. ‘Aan het eind van de groene lijn, zeiden zij tegen mij.’ ‘Zo te zien is hier het eind van de groene lijn dus zal het wel goed zijn. Denkt u ook niet?’ antwoord ik. 


Ik besef dat mijn antwoord klinkt als een  geïrriteerde zure ouwe man die het niet uit kan staan dat mensen hem naar de bekende weg vragen. Om een praatje verlegen natuurlijk. Ik doe alsof ik verdiept ben in “Arts en Auto”. Niks praatje. Aan moeten horen zeker waarom zij een CT scan moet hebben. Dat de dokters, nee specialisten voor een raadsel staan. Wat!? De hele medische wetenschap. Zij weten geen raad. Haar ziekte wordt natuurlijk ook al beschreven in de diverse medische tijdschriften. Zowel nationaal als internationaal. Er zijn al veel discussies gevoerd over behandel methode. Er vliegen dagelijks via het “World Wide Web berichten over en weer.

Met een zucht neemt zij plaats tegenover mij op een blauw plastic stoeltje. De zucht van tomeloze ellende die haar al jaren achtereen volgt en waar geen kruid tegen gewassen lijkt. Uit haar lange zwarte winterjas pakt zij haar mobieltje en begint, of haar e-mails door te nemen of gewoon Candy Crush te spelen. Om het even, een mobieltje laat tegenwoordig alle oude kapot gebladerde magazines met rust. Nutteloos en triest liggen zij op een stapeltje te wachten totdat er iemand de wachtkamer betreedt die geen mobieltje bezit, of een mobieltje waarop geen e-mail te lezen valt of Candy Crush te spelen. Ik behoor tot de groep die dan misschien wel een van de eerste was met een mobiel, -in mijn maag gesplitst door mijn toenmalige werkgever- maar verder ben ik nooit gekomen. 

Ik probeer “Huis en Tuin”. Snel blader ik ‘m door. Ik heb geen huis en tuin waardoor mijn interesse al snel verlegt wordt naar de “Story” met hierna de “Privé” en bekijk foto’s van Neerlands grootste onbenullen samengevat in het woord BN’ers. Brood en spelen, da’s wat het volk wil, en sla het blad weer dicht. Misschien dat de wachttijd beter te doden valt met een mobieltje waarop je je e-mail kunt checken of Candy Crush kunt spelen. Nog beter zou zijn, vele malen beter zelfs, als ik een geanimeerd gesprek zou kunnen voeren met een jonge mooie vrouw dat wacht op een CT scan. Maar de vrouw naast mij is misschien dan een nog jonge vrouw, zij is verre van mooi. 

Haar haar is bijvoorbeeld hoog opgeknipt en vertoond zowel de kleuren oranje als geel. Zij heeft een bol gezicht met appelwangen en haar neus lijkt op die van een bokser die een aantal klappen niet op tijd heeft kunnen ontwijken. Om over haar lijf maar niet te spreken, wat zover ik het in een oogwenk heb kunnen zien toen zij binnenstapte, een ware gelijkenis vertoont met een slagschip. 

Vanachter de “Metro”, de gratis krant met het korte nieuws, bespiedt ik haar. Niet bepaald een beeld waar mijn ogen de laatste jaren aan gewend zijn geraakt. In de wachtkamer van het RAM Hospital in Chiang Mai bijvoorbeeld, daar heb je geen magazine of mobieltje nodig om de wachttijd en de verveling te verdrijven. Daar kijk je gewoon rond en ziet de ene miss World na de andere, al of niet wachtend op een CT scan, of een check-up van de al in uitstekende conditie verkerende body. Maar je kon er nooit een geanimeerd gesprek mee beginnen om de doodeenvoudige reden dat zij je niet of nauwelijks verstonden, en als dit per ongeluk wel het geval was wist je van tevoren dat het geanimeerde niet verder zou komen dan wat oppervlakkigheden die even ver liggen van een diepgaand gesprek over de zin van het leven als het secundaire universum van onze planeet.


Plots kijkt de jonge vrouw op van haar mobiel en vraagt: ‘komt u ook voor een CT scan?’ ‘Nee mevrouw,’ probeer ik zo vriendelijk mogelijk, maar laat na waarvoor ik wel kom. ‘O, nou ja, ik dacht, misschien is het niet de eerste keer dat u zoiets laat doen. In dat geval had u mij kunnen vertellen wat mij te wachten staat.’ ‘Hebben zij het u niet verteld dan?’ Er bekruipt mij een satanisch gevoel van pesterij waarin al mijn haat tegen mijn omgeving ligt opgeslagen, tegen het klimaat waarin ik verblijf, de uitzichtloosheid van mijn bestaan waar ik maar geen controle over kan krijgen. 

‘Nou,’ begin ik, ‘u krijgt een naald in uw arm waar een hele raffinaderij aanzit met kranen en leidingen. Deze wordt ingebracht door een zuster terwijl een andere zuster u stevig vast houdt want echt pijnloos is het niet en u krijgt misschien de neiging wild om u heen te slaan. Hierna moet u liters water drinken waar zij wat doorheen gemengd hebben wat op z’n zachts gezegd nogal smerig smaakt. Hierna wordt u naar de scanner gebracht, gaat u op een soort tafel liggen, wordt u aangesloten op die raffinaderij in uw arm, de armen boven uw hoofd uitgestrekt, en laten zij contrastvloeistof via die raffinaderij bij u naar binnen lopen, waar je overigens vreselijk misselijk van wordt. Hierna moet je zo ongeveer vijf minuten je adem in kunnen houden terwijl de scanner op enkele millimeters over je heen walst. Ja, je moet geen last hebben van claustrofobie. Voelt u zich niet goed?’ 

De vraag: voelt u zich niet goed, had ik graag willen stellen, maar het tegendeel was zichtbaar. Zij barste in lachen uit. ‘Wat bent u een leuke ouwe baas,’ riep zij uit terwijl de tranen haar over haar bolle appelwangen liepen. ‘Leuke ouwe baas!? Riep ik uit. ‘Mevrouw, meestentijds woon ik in Chaing Mai, Thailand, het verre oosten, aan de andere kant van de wereld zoals u misschien weet. Ik heb daar een speeltje dat achtentwintig jaar jonger is dan ik en als ik wil ruil ik haar in voor een ander speeltje vierendertig jonger dan ik.’ De vrouw lacht nu nog harder. ‘Nu weet ik waarvoor u komt. Een hersenscan. Heb ik het goed?’











Geen opmerkingen:

Een reactie posten